Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#420 Waarom zegt Jezus dat we hem moeten vergeven?

In Een cursus in wonderen zegt Jezus: “Ik heb grote behoefte aan lelies, want de Zoon van God heeft mij niet vergeven. En kan ik hem vergeving schenken wanneer hij mij doornen biedt? Want hij die wie ook doornen schenkt, is nog steeds tegen mij, en wie is er heel zonder hem? Wees jij zijn vriend om mijnentwille, opdat ik vergeven mag worden en jij de Zoon van God als heel mag zien” (T20.II.4:1-4). Ik ben er niet helemaal zeker van waarvoor wij Jezus zouden moeten vergeven. Wat heeft hij gedaan? Zouden wij hem niet moeten vragen ons te vergeven omdat wij ons in onze waanzinnige onjuiste gerichtheid-van-denken vergist hebben in zijn en onze identiteit, en ons er nog steeds in vergissen?

Antwoord: Ten eerste onderwijst Jezus ons in de passage die jij aanhaalt opnieuw dat het Zoonschap één is: we kunnen niemand aanvallen zonder tegelijkertijd onszelf en hem aan te vallen. Wat nu het vergeven van Jezus betreft…We zullen hier een beknopt antwoord geven en enkele passages voorstellen voor een meer diepgaande studie van dit belangrijke onderwerp. Er zijn twee niveaus waarop we Jezus moeten vergeven – dit alles gebaseerd op wat hij ons in de Cursus onderwijst. Het eerste niveau betreft onze projecties op hem, de “wrange idolen” die hij noemt in de Verklaring van Termen aan het einde van het Handboek voor leraren (VvT5.5:7). Enerzijds hebben wij (de wereld) van hem een oordelende en straffende figuur gemaakt die lijden en opoffering eist. Anderzijds hebben we van hem een magische verlosser gemaakt die onze problemen zal oplossen, en ons zal belonen voor ons geloof en onze goede daden. Deze twee beelden zijn natuurlijk overduidelijk aanwezig in het Nieuwe Testament en zijn dat door de hele geschiedenis van het christendom heen geweest.

Op het eerste niveau moeten we Jezus dan ook vergeven voor wat hij nooit heeft gedaan en voor wat hij nooit is geweest. Dit is in werkelijkheid een verdediging tegen het meer fundamentele niveau, namelijk onze noodzaak om Jezus te vergeven voor wie hij waarlijk is, zoals hij zichzelf openbaart in Een cursus in wonderen, om zo de vervormde en verkeerde beschrijvingen te corrigeren die te vinden zijn in de meeste religies van de afgelopen tweeduizend jaar. Als Jezus inderdaad in onze denkgeest aanwezig is als de afspiegeling van Gods Liefde – de zuivere uitdrukking van het Verzoeningsprincipe – dan wordt onze volledige identiteit als een afgescheiden, fysiek en psychologisch wezen ongedaan gemaakt. Hij is het levende bewijs in onze droom dat we ons in alles vergist hebben, dat we ons individuele leven en de hele wereld verzonnen hebben. Hij is niet gekomen om ons te helpen ons leven in de wereld beter te maken. Wanneer we onszelf toestaan eerlijk te kijken naar wie Jezus waarlijk is en wat hij waarlijk voorstelt, kunnen we niet anders dan met angst en zelfs met haat reageren. Het is dus omwille van wie hij waarlijk is dat wij hem moeten vergeven. In die zin kunnen we allemaal affiniteit hebben met de intense gevoelens die worden uitgedrukt in Helens gedicht ‘Stranger on the road’ (‘Vreemdeling op de weg’) waarin ze haar angst portretteert om met de waarheid van Jezus’ werkelijkheid geconfronteerd te worden.

Er valt nog veel meer te zeggen over dit aspect van onze relatie met Jezus, maar door plaatsgebrek beperken we ons tot het geven van enkele verwijzingen voor verdere studie:

Vraag #54 in ‘De meest gestelde vragen over Een cursus in wonderen’; ‘Waarom moeten we Jezus vergeven?’ in hoofdstuk 15 van ‘Forgiveness and Jesus: The meeting place of A course in miracles and Christianity’ (‘Vergeving en Jezus: de ontmoetingsplaats van Een cursus in wonderen en het christendom’); het nawoord in de tweede editie van Christian Psychology in A course in miracles (‘Christelijke psychologie in Een cursus in wonderen’); en ‘Forgiving Jesus: Stranger on the road’ (‘Jezus vergeven: vreemdeling op de weg’), een audiocassette-album.