Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#595 Omgaan met gelijkgestemden

Naarmate ik meer bezig ben met Een cursus in wonderen, hebben veel dingen steeds minder betekenis voor me, zoals populair zijn, iets opmerkelijks bereiken, gewaardeerd worden, of gewoon maar in het gezelschap van anderen te zijn. Ik vind het fijn om alleen te zijn, de Cursus te bestuderen, te werken aan het helen van mijn relaties in mijn denkgeest, in plaats van daadwerkelijk fysiek aanwezig te zijn met die mensen, met wie ik aan vergeving moet werken. Is dit verkeerd, en is het ook verkeerd om vooral mensen in levenden lijve te willen ontmoeten met wie ik spiritueel min of meer op dezelfde golflengte zit, terwijl ik tegelijk weet dat ik één ben met iedereen, of ik er op het fysieke niveau nu contact mee heb of niet? Ik voel me soms schuldig, omdat ik bepaalde mensen en situaties uit mijn fysieke ruimte wil uitsluiten, en dan probeer ik me opnieuw onschuldig te voelen, wanneer ik weet dat ik in de ruimte van mijn denkgeest één ben met alles en iedereen.

Antwoord: Het sleutelwoord in je vraag is uitsluiten, en het sleutelprincipe om je dilemma op te lossen is het onderscheid tussen vorm en inhoud. De bepalende eigenschap van authentieke liefde zoals Jezus die in de Cursus voorstelt, is dat ze ‘allesomvattend’ is. Dit staat in scherp contrast met de speciale liefde van het ego die bepaalde mensen of groepen selecteert omdat ze onze liefde en vergeving verdienen, in tegenstelling tot anderen die dat niet doen. Maar Jezus spreekt altijd over de inhoud in onze denkgeest, onze houding. Hij spreekt niet over de vorm: wat ons lichaam doet, hoe we ons gedragen. Je kunt niet voortdurend bij iedereen zijn, maar je kunt er in je denken wel duidelijk over zijn of je bepaalde mensen of groepen je liefde onthoudt, of dat je oordeelt dat spirituele mensen beter zijn dan degenen die zich volledig op wereldse dingen hebben gericht. Als je oordeelt dat sommige mensen beter zijn dan anderen, dan geloof je niet langer dat het Zoonschap één is en bestendig je de zaak van het ego om de afscheiding tot werkelijkheid te maken. Je loopt dan ook in de val door te geloven dat er een hiërarchie in illusies bestaat, dat er een betekenisvol verschil is tussen mensen die spiritueel gevorderd zijn en mensen die niet spiritueel zijn. Iemand die op de hoogste sporten van de ladder staat, is een even grote illusie als iemand die op de lagere sporten staat, omdat de ladder zelf illusoir is.

Vanuit een ander gezichtspunt is het zo dat we allemaal voorkeuren en beperkingen hebben. In de droom van de afscheiding is dat normaal. Het is niet verkeerd of onspiritueel om voorkeuren te hebben. Voorkeur voor het gezelschap van bepaalde mensen is niet verschillend van voorkeur voor bepaald voedsel, bepaalde muziek of de inrichting van je huis, enzovoorts. Tenminste, zolang deze voorkeuren niet de overhand krijgen! Als jouw voorkeur niet de overhand heeft gekregen, zul je je niet schuldig voelen. De hoofdfactor is wat er in je denken omgaat: of je tegen bepaalde mensen oordeelt omdat die niet beantwoorden aan jouw criterium van ‘spiritualiteit’. Als je vriendelijk denkt over iedereen, zul je nooit een conflict ervaren over met wie je omgaat.

Andere Cursus-studenten hebben gelijkaardige ervaringen gehad – zie V#433 en V#480.

Er zijn heel wat passages die troost bieden, waarin Jezus ons verzekert dat hij altijd voor ons beschikbaar is, en alleen maar op onze uitnodiging wacht (bv. T19.IV.A.16:3-6; T31.VIII.7-11; H23). Om te eindigen geven we hier enkele passages uit hoofdstuk 12 van het Tekstboek en het nawoord uit het Werkboek.

“Herinner je wat er werd gezegd over de beangstigende waarnemingen van kleine kinderen, die hen angst aanjagen omdat zij ze niet begrijpen. Als ze om opheldering vragen en die aanvaarden, verdwijnen hun angsten. Maar als ze hun nachtmerries verbergen, zullen ze die behouden. Het is makkelijk een onzeker kind te helpen, want het ziet in dat het niet begrijpt wat zijn waarnemingen betekenen. Maar jij gelooft dat jij de jouwe wel begrijpt. Kindlief, jij verbergt je hoofd onder een dek van dikke dekens dat je over jezelf heen hebt gelegd. Jij verbergt je nachtmerries in de duisternis van je eigen valse zekerheid, en weigert je ogen open te doen om ernaar te kijken”. (T12.II.IV)

“Laten we geen nachtmerries bewaren, want het zijn geen gepaste gaven voor Christus, en dus zijn het geen passende geschenken voor jou. Neem de bedekking weg en kijk naar waar jij bang voor bent. Alleen datgene waarop je vooruitloopt jaagt jou angst aan, want de realiteit van het niets kan niet beangstigend zijn. Laten we dit niet uitstellen, want je droom van haat zal niet zonder hulp van je weggaan, en Hulp is hier aanwezig. Leer rustig te zijn te midden van tumult, want rust is het eind van twist, en dit is de reis naar vrede. Kijk elk beeld dat opduikt om jou tegen te houden recht in het gezicht, want het doel is onafwendbaar omdat het eeuwig is. Het doel van liefde is niets anders dan jouw recht, en hoort jou toe ondanks je dromen….” (T12.II.V)

“Nog een korte tijd en je zult me zien, want ik houd me niet verborgen omdat jij je verbergt. Even zeker als ik zelf ontwaakt ben, zo zeker zal ik jou doen ontwaken, want ik ben ontwaakt ten behoeve van jou. In mijn opstanding ligt jouw bevrijding. Onze opdracht is te ontsnappen aan de kruisiging, niet aan de verlossing. Vertrouw op mijn hulp, want ik ging niet alleen, en ik zal aan je zijde gaan, zoals onze Vader aan mijn zijde ging. Weet je dan niet dat ik in vrede met Hem ging? En betekent dat dan niet dat vrede ons vergezelt op onze reis? (T12.II.VII)

….Je gaat niet alleen. Gods engelen zweven dichtbij en overal om jou heen. Zijn Liefde omringt jou, en wees hiervan overtuigd: ik zal jou nooit zonder troost achterlaten” (WdII.Nw.6:6-8).