Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#592 Maakt het iets uit tot welke God ik bid?

Ik ben al sinds mijn zestiende een student van Een cursus in wonderen, maar ik vind het nog altijd moeilijk mezelf te bevrijden van de angst voor de hel, die me toen ik jonger was, werd opgelegd door mijn overijverige doopsgezinde familieleden. Er werd me geleerd dat ik voor de maaltijd moest ‘bidden’, en dat doe ik nog altijd telkens wanneer ik gespannen ben, alsof ik Gods ‘hielen wil likken’. Soms vind ik het gemakkelijker terug te keren naar de rituelen en afgoderij, wanneer het mij onmogelijk lijkt dat ik zal ontwaken. Mijn vrouw werd onlangs in Irak ingezet, en hoewel ik aan het begin van de dag mijn angst kan inhouden, begin ik me later overweldigd en machteloos te voelen, en voer dan uit wanhoop de doopsgezinde rituelen uit. Het lijkt alsof ik in communicatie probeer te komen met twee tegenstrijdige ideeën over God. Wat is de meest efficiënte methode om te bidden?

Antwoord: Jouw ervaring komt overeen met die van veel studenten die streng religieus zijn opgevoed. En net als jij zijn er velen die rituelen uitvoeren en aan afgoderij doen, want dat is de essentie van het leven in een lichaam, wanneer de afscheiding eenmaal ernstig wordt genomen. “De wereld gelooft in afgoden. Niemand komt daar, tenzij hij ze aanbeden heeft en nog steeds probeert er een te vinden die hem alsnog een geschenk zou kunnen bieden dat de werkelijkheid niet bevat” (T29.VIII.8:4-5). Je met het lichaam vereenzelvigen brengt een heel gamma van rituelen en verafgoding met zich mee, in de vorm van fysieke, emotionele en psychologische zorg. Hoewel ze niet religieus van aard zijn, verschillen ze niet van religieuze overtuigingen, in zoverre dat ze gebruikt worden om God te vervangen en het denksysteem van het ego te verdedigen, dat gebaseerd is op het geloof in de afscheiding. Wanneer we troost najagen in rituelen en idolen, in welke vorm ook, is het onderliggende geloof dat er iets van buiten de denkgeest onze pijn heeft veroorzaakt en dus iets van buiten genezing kan brengen. Het doet er niet toe of het een gebed is tot een zelfbedacht begrip van God, favoriet voedsel, of een dag op het strand. Als we ons aan de zijde geschaard hebben van het geloof van het ego dat de afscheiding werkelijk is, proberen we aan de verschrikkelijke pijn van onze schuld te ontsnappen door ons in het lichaam en in de wereld te verschuilen. Omdat we hen tot ‘vriend’ hebben gemaakt, denken we dat ze ons beschutting bieden tegen de pijn en ons vrede brengen. Wij vergissen ons: dat doen ze niet. Maar we zijn niet helemaal overtuigd, want, omdat we zo sterk gehecht zijn aan onze overtuigingen, is het moeilijk voor ons om ze om te keren. Daarom is de Cursus een zachtmoedig leerproces.

Een gebedje richten tot een god die niet bestaat, is geen grotere zonde dan je te ontspannen bij aangename muziek. “Je droomt slechts, en afgoden zijn het speelgoed waarvan jij droomt dat je ermee speelt” (T29.IX.4:4).

Belangrijk is dat je je bewust bent van de angst die de spanning veroorzaakt die het rituele gedrag tot gevolg heeft. Het kan heel nuttig zijn deze dynamiek aan het werk te zien en dan aan Jezus of de Heilige Geest te bevestigen dat je bang bent, ongerust over de veiligheid van je vrouw, en onzeker over wat je moet doen om je beter te voelen. Dat zou een efficiënt gebed zijn. Als je hem dan oprecht vraagt bij je te zijn wanneer jij je ‘doopsgezinde’ woorden zegt, of wat dan ook doet dat je troost biedt, zullen ze je geen schuldgevoel bezorgen. Wat nog belangrijker is, dat deel van je denkgeest dat weet dat ze niet het werkelijke antwoord zijn, en niet zijn wat jij echt gelooft, zal versterkt worden.

Het kan nuttig voor je zijn “Het lied van het gebed” te lezen, een van de aanvullingen op de Cursus. Het biedt een heel mooie en begrijpelijke kijk op het gebed, in overeenstemming met wat de Cursus onderwijst.