Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#591 Waarom moet een leraar ‘in de leerlingen geloven aan wie hij de ideeën presenteert’?

Ik heb veel gelezen over de voorwaarden om Een cursus in wonderen te leren. Wat me in verwarring brengt is: “Een goede leraar moet geloven in de ideeën die hij onderwijst, maar hij moet aan nog een andere voorwaarde voldoen: hij moet in de leerlingen geloven aan wie hij de ideeën presenteert” (T4.I.1:4). Voor mij betekent dit: als ik in deze Cursus geloof dan wordt dit een ‘idee’ in mijn denkgeest, en dit idee onderwijs ik. Het tweede deel interpreteer ik als: (1) Jezus gelooft in ons en onderwijst ons; (2) op het niveau van de wereld zijn we allemaal leraren en leerlingen. Als ik (de Zoon van God) de leraar ben, is de leerling dan iedereen die ik ontmoet, ooit kende (in het verleden), of zal kennen (in de toekomst), of gewoon degene aan wie ik denk? En betekent dit dat we elk oordeel over deze leerlingen en over alles hebben opgegeven? Of weten we niet wanneer we onderwijzen?

Antwoord: Jezus zegt dat om een goede leraar te zijn je niet alleen moet geloven in wat je onderwijst, maar dat je ook moet weten dat je leerlingen in staat zijn om te leren, en dat zij in ware zin uiteindelijk dezelfde zijn als jij. Als je in de Cursus gelooft, onderwijs je meer dan ideeën. Ideeën onderwijzen is een goed uitgangspunt, maar als de inhoud achter de ideeën niet op enig moment door jou wordt overgebracht, dan onderwijs je de Cursus niet echt. Dit wordt duidelijk in alinea 6, wanneer Jezus ons liefdevol geruststelt: “Ik zal met je onderwijzen en met je leven als jij met mij wilt denken, maar mijn doel zal uiteindelijk altijd zijn je te ontslaan van de behoefte aan een leraar” (T4.I.6:3). Met andere woorden: hij nodigt ons uit om te worden zoals hij, zodat er uiteindelijk geen verschil meer is tussen hem en ons en hij vraagt ons hetzelfde met elkaar te verwezenlijken. Dus als je de ideeën van de Cursus aan anderen onderwijst leer jij, op het enige niveau dat telt, dat je niet anders bent dan degenen die je onderwijst. Alle afscheiding is illusie, en dat maakt oordelen zinloos. Dat is de inhoud die – naarmate je vordert in het beoefenen van vergeving – jouw woorden uiteindelijk tot uitdrukking brengen. Hiervoor is een formele leraar-leerling verhouding niet nodig. We onderwijzen voortdurend, omdat we altijd op een of andere manier de beslissing ‘uitzenden’ die we in onze denkgeest hebben genomen: de beslissing ons te identificeren met het denksysteem van afscheiding van het ego, óf met het denksysteem van vergeving van de Heilige Geest. Andere mensen ‘scannen’ jou als het ware altijd, op zoek naar een signaal dat hen op de een of andere manier laat weten dat ze geen gelijk hebben met hun zelfveroordeling, en de projectie daarvan op anderen.