Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#586 De begrippen ‘getuige’ en ‘getuigen van’

Als kind ben ik nauwelijks met religie in aanraking gekomen en ik vraag me af of je mij de begrippen ‘getuige’ en ‘getuigen van’ zou willen uitleggen? Een voorbeeld: in de religie lijkt ‘getuigen van’ eerder op preken dan op getuigen van je eigen gedachten. Bovendien is er in Een cursus in wonderen een paragraaf (T1.IV.4) die ‘getuige’ en ‘getuigen van’ gebruikt op een manier die me niet duidelijk is, hoewel het gebruik van getuige (ook wel degene die observeert, ‘jij’, of de keuzemaker genoemd) in eerste instantie wel duidelijk is. En ook nog: naar welke ‘wet’ verwijst Jezus in dezelfde paragraaf?

Antwoord: De omschrijving in het woordenboek is van toepassing op de term zoals die gebruikt wordt in de passage waar jij naar verwijst: ‘…..het bewijs zijn of leveren van’. Dit is ook de gebruikelijke betekenis die in de Cursus aan het begrip wordt gegeven. Door zijn uitspraak “Ik zal getuigen” zegt Jezus ons dat hij zelf het bewijs, of de bekrachtiging is, dat er geen dood is, geen ‘hellevuur’. Hij doet dit door aan te tonen dat de kruisiging geen gevolg heeft gehad; ook al werd zijn lichaam gedood, hij is niet gestorven. In de mate waarin we bereid zijn naar hem te luisteren en van hem te leren, zal hij ons meer bewijs leveren dat wat hij onderricht, waar is: “ik zal getuigen voor iedereen die me daartoe de gelegenheid geeft, en in elke mate waarin hij dat toestaat”. ‘Getuigen’ in deze betekenis wordt ongeveer op dezelfde manier gebruikt als ‘onderwijzen’.

Later in het Tekstboek wordt ons gezegd: “Onthoud altijd dat je zult onderwijzen wat je gelooft” (T6.I.6:10). Als we de Heilige Geest geloven, zullen we Zijn boodschap onderwijzen, of daarvan ‘getuigen’. Dit wordt niet bereikt door een of andere speciale vorm van preken of rechtstreeks onderricht. Alleen al door het feit dat wij het geloven, zal het door anderen (bewust of onbewust) waargenomen worden. Op dezelfde manier zullen we van het ego getuigen, als we zijn leugens geloven en zo de afscheidingsgedachte in onze denkgeest en in ons leven versterken. In die zin is ‘getuigen van’ het herkenbare gevolg van een keuze die in de denkgeest wordt gemaakt om het ego of de Heilige Geest te geloven. Aangezien we altijd ofwel voor de Heilige Geest of voor het ego kiezen, getuigen we altijd van de een of van de andere. Dat bedoelt Jezus wanneer hij zegt dat we altijd onderwijzen: “Aangezien je niet niet kunt onderwijzen” (T6.III.4:1).

Volgens de Bijbel zou de Messias komen om de wet en de profeten te vervullen. Zijn komst was ‘wet’ in zoverre dat het een belofte was dat er een verlosser zou komen als verzoening voor onze zonden. Jezus verwijst naar deze bijbelse zin en zegt dat hij de wet, of de belofte, inderdaad vervult, maar door er een nieuwe interpretatie aan te geven. Hij doet dat door in Een cursus in wonderen te onderwijzen dat “er geen zonde [is]” (T26.VII.10:5), en dat de verlossing wordt gevonden door deze waarheid te aanvaarden.