Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#584 Hoe kan ik verantwoordelijkheid bepalen zonder een oordeel te vellen?

In V#371 schrijf je het volgende: ‘Je blijft handelen op een manier die helpt om de verantwoordelijkheid voor de mishandeling en de passende gevolgen binnen het familiesysteem te bepalen, en die ook het kind tegen verdere mishandeling beschermt – maar je zult dit allemaal zonder oordeel doen. En op die manier breng jij alle betrokkenen in herinnering dat er een andere manier is om te kijken naar wat er gebeurd is, die niets met aanval en beschuldiging te maken heeft’.

Wat wordt met aanval en beschuldiging precies bedoeld? Als ik de verantwoordelijkheid en de passende gevolgen bepaal, is dit dan geen oordeel en geef ik niemand de schuld en is dit geen aanval? Of verwar ik dan de niveaus? Op het ene niveau, die van de ware denkgeest, veroordeel ik niemand want er is niets of niemand om over te oordelen. In de illusie speel ik dat deel uit dat bepaald wordt door de situatie waarin ik verkeer, maar ik ben me ervan bewust dat ik niet oordeel in de ware denkgeest. Is dat juist? Als dat zo is, waarom kan ik dat nooit doen, hoewel ik dit al een tijd weet.

Antwoord: In de eerste plaats kan nuttig zijn te verduidelijken dat ‘zonder oordeel’ zoals dat in het bovengenoemde citaat voorkomt, zonder veroordeling betekent. Zelfs in de Cursus zelf wordt oordeel op twee manieren gebruikt: enerzijds vanuit een verkeerde gerichtheid-van-denken, wat aanval en beschuldiging inhoudt, en anderzijds vanuit een juiste gerichtheid-van-denken, wat betekent dat het onderscheid wordt gemaakt tussen wat waar is en wat onwaar (bv. T4.IV.8:7-8). Het oordeel van het ego versterkt het geloof in afscheiding, zonde en schuld, door de beschuldigde als verschillend van onszelf te zien. Oordeel vanuit een juiste gerichtheid-van-denken maakt onze identificatie met het ego altijd ongedaan door ons te helpen inzien hoe we, op het niveau van de inhoud, in principe dezelfde zijn, en met hetzelfde ego-denksysteem worstelen, hoewel de specifieke manier waarop we ons ego tot uitdrukking brengen verschillend lijkt te zijn.

Jezus zegt ons herhaaldelijk in Een cursus in wonderen dat wij verantwoordelijk zijn voor de keuzes die we maken en de gevolgen die eruit voortvloeien (bv. T4.IV; T21.II.2:3-6), maar hij veroordeelt ons nooit omdat we voor ons ego hebben gekozen – dat oordeel gaat niet gepaard met beschuldiging of aanval. Maar alleen als we het inzicht beginnen te krijgen dat we verantwoordelijk zijn voor wat we ervaren, kunnen we beginnen met een andere keuze te maken. Het is het ego, met zijn geloof in zonde, schuld en angst, dat verantwoordelijkheid gelijkstelt met beschuldiging, en de gevolgen met straf en aanval. Jezus probeert ons te helpen om naar de gevolgen van onze beslissingen te kijken, zonder verstrikt te raken in de morele oordelen die het ego wil dat we maken over wat goed of slecht is. Hij gebruikt woorden als gek (bv. WdI.156.6:4-5), dwaas (bv. T21.I.2:1; WdI.65.7) en waanzinnig (bv. T27.VI.6:3) om onze keuze voor het ego te beschrijven, maar het is onze eigen projectie als we geloven dat hij ons veroordeelt.

Het gaat er niet om dat je de niveaus verwart, maar dat je vorm en inhoud door de war haalt. Het is niet omdat je in een bepaalde situatie iemands verantwoordelijkheid beoordeelt en de gevolgen vernoemt die overtredingen kunnen hebben, dat deze specifieke daad veroordeling en aanval betekent. We willen altijd eerlijk kijken naar het doel dat achter onze beslissingen en handelingen schuilgaat. Misschien helpt het om te bedenken hoe we een jong kind vast zouden houden dat verantwoordelijk is voor agressief gedrag, zoals het slaan van een jonger broertje of zusje, en we hem als gevolg daarvan bijvoorbeeld blokkeren bij zijn normale activiteiten, om de gedachte bij het kind te versterken dat het belangrijk is om zorgvuldiger na te denken bij wat hij doet. Dit kan allemaal worden gedaan zonder aanval of beschuldiging. Als we vanuit onze juiste gerichtheid-van-denken handelen, kan het ons doel zijn het kind te helpen begrijpen hoe hij met frustratie en woede moet omgaan, zodat het in de toekomst een andere keuze kan maken.

Op dezelfde manier kun je de situatie met de misbruiker beschouwen. We kunnen de conclusie trekken dat een volwassene inderdaad een jong kind heeft gekwetst en misbruikt, maar we kunnen zonder woede of beschuldiging tot die conclusie komen. Maar op een ander niveau heeft de denkgeest van het kind het slachtofferschap binnen genodigd, zoals alle denkgeesten doen die zich met het ego vereenzelvigd hebben, en op een nog dieper niveau is niets van dit alles werkelijk. Maar Jezus vraagt ons niet onze ervaringen hier in de wereld te ontkennen. Hij vraagt ons eenvoudigweg bereidwillig te zijn om in een bepaalde situatie, waarin we klaar staan om te veroordelen, onze eigen ego-oordelen los te laten, en hem om hulp te vragen om iedere persoon die hierbij betrokken is in een ander licht te zien.

En dus kunnen we eveneens het vonnis ondersteunen dat een misbruiker krijgt zonder dat het ons doel is te willen straffen. Om ons doel te kennen, moeten we heel eerlijk de gedachten inschatten die we in onze denkgeest over de misbruiker hebben. Nogmaals, het is niet de vorm van onze beslissing die belangrijk is, maar wel de onderliggende inhoud – zien we de misbruiker als zondig en verschillend van ons en verdient hij straf, of zien we hem als gelijke, die alleen maar hulp nodig heeft. Als we er niet in slagen het agressieve kind en de misbruik plegende volwassene als gelijken te zien, dan komt dat alleen maar doordat we ons nog steeds met ons ego vereenzelvigd hebben, die bevestigt dat er een hiërarchie in illusies bestaat (T23.II.2).

Nu is het zo dat de meeste mensen in de wereld een verschil zien tussen het kind dat zijn broertje of zusje slaat en de volwassene die een kind heeft misbruikt, maar dat toont alleen maar aan hoezeer de meesten van ons nog met het denksysteem van het ego vereenzelvigd zijn. En de omslag naar een andere zienswijze is niet iets dat we op ons eentje kunnen doen. We moeten ons richten tot de zachtmoedige Aanwezigheid in onze denkgeest die ons allemaal als kinderen ziet die geloven dat we met onze eigen schuld en woede kunnen omgaan door anderen op de een of andere manier te kwetsen. We hebben allemaal hulp nodig en dat maakt dat we allemaal gelijk zijn. En door bereid te zijn om al mijn broeders en zusters van elke veroordeling te verlossen, leer ik hoe ik mezelf eveneens kan verlossen (T12.I.4-7).

Zie in verband hiermee ook V#484 voor een bespreking van oordelen en vorm en inhoud.