Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#582 Over de ‘erfzonde’ van de katholieke kerk

Ik ben katholiek opgevoed met het geloof in de ‘erfzonde’ en ik geloof al dat ik als menselijk wezen ‘schuldig’ en ‘ondeugdelijk’ ben. Bovendien heb ik een laag zelfrespect en gevoelens van schaamte, en ik wil graag dat anderen mij mogen. Zijn deze gevoelens en dit geloofssysteem gelijk aan wat Een cursus in wonderen beschrijft als de schuld die voortkomt van de beslissing van mijn ego om gescheiden van God te zijn? Ik vind het moeilijk om de metafysische principes van de Cursus te begrijpen, waar ze van toepassing zijn op wat ik onder schuld versta. Ik wil graag weten of deze twee vormen van schuld ‘identiek’ zijn, omdat ik er niet zeker van ben dat ik kan bepalen wat de specifieke vormen van schuld zijn die ik probeer te bedekken. In mijn bewuste zelf weet ik al dat ik me schuldig voel. In feite neem ik meer verantwoordelijkheid voor vergissingen op me dan gegrond is. Als deze twee vormen van schuld elkaars equivalent zijn, kan ik misschien de liefde en vergeving bereiken die er volgens de Cursus onder schuilgaat. Kun je me hierbij helpen?

Antwoord: In plaats van de ontologische schuld van de Cursus gelijk te stellen met de ‘erfzonde’, zou het juister zijn om te zeggen dat wat de Cursus over schuld onderwijst, een correctie is van het christelijke dogma van de ‘erfzonde’, en dat hij uitlegt dat de oorsprong van het dogma in het denksysteem van het ego ligt. Het bijbelse verhaal van Adam en Eva dat de erfzonde verhaalt van de eerste ouders in de Hof van Eden, kan beschouwd worden als een symbolische uitbeelding van de mythe van het ego van zonde, schuld en angst. Een van de belangrijkste verschillen tussen het christendom en de Cursus is dat het christendom bevestigt, of het verhaal nu letterlijk of symbolisch wordt beschouwd, dat zonde – de aanval op God – werkelijk is en zeer ernstige negatieve gevolgen heeft gehad voor onze relatie met Hem. De Cursus daarentegen onderwijst dat zonde niet werkelijk is, dat onze relatie met God op geen enkele manier ontwricht is geweest, en dat het enige probleem ons geloof in de zonde is. En in elk systeem is de correctie of verzoening voor de zonde dus heel verschillend. Het christendom heeft de figuur van een verlosser nodig die aan God geofferd wordt om de gevolgen ongedaan te maken van onze zondigheid, die we geërfd hebben omdat onze oorspronkelijke ouders in een ver verleden besloten hebben ongehoorzaam te zijn aan God. De Cursus zegt dat we op dit moment in onze denkgeest zelf de beslissing nemen een vals geloof in zonde en afscheiding aan te hangen, en de enige oplossing voor dit probleem is ons denken over wat we geloven nu te veranderen (later meer hierover).

In het christendom is zonde dus heel reëel – het gevolg van de zondige handelingen van het mensdom tegen zijn Schepper. Er wordt in verschillende theologische kringen veel gesproken en gedebatteerd over de aard van de erfzonde, maar de werkelijkheid ervan wordt niet werkelijk in vraag gesteld. De Cursus zegt dat schuld verzonnen is en gewoon deel uitmaakt van de verdediging van het ego om ons te bewijzen dat zonde werkelijk is. God is niet kwaad omdat er nooit iets is gebeurd en dus moet Hij niet bevredigd worden. Bovendien zijn de wereld en onze ervaringen als lichaam in die wereld niet het gevolg van Gods creatieve activiteit, maar wel van onze koortsachtige verbeelding om onszelf ervan te overtuigen dat de afscheiding en de aanval op God werkelijk zijn. Alle wandaden die door onze eerste ouders begaan zijn of elke zonde van schuldig verzuim of van een bewuste daad waar we onszelf van beschuldigen maken gewoon deel uit van het rookgordijn dat het ego optrekt om ons onbewust te laten van de beslissing die wij in onze denkgeest, en niet in de wereld hebben genomen, om in zonde en schuld te geloven.

De Cursus zegt dat het is omdat we de mythe van het ego van zonde, schuld en angst in onze denkgeest hebben aanvaard, dat al het andere daarvan het gevolg is geweest: het verhaal en de doctrine van de erfzonde, de wereld van afgescheiden lichamen met afgescheiden gedachten die een keuze lijken te kunnen maken die tegengesteld is aan God, en de schuldgevoelens die uit al deze keuzes lijken voort te komen. Wanneer je in contact bent met al die schuldgevoelens die je beschrijft, ervaar je op een praktisch niveau de gevolgen van je keuze om jezelf als gescheiden te zien, maar de oorzaak ligt diep in je denkgeest begraven en heeft niets te maken met het zelf dat je gelooft te zijn en dat er alleen maar het gevolg van is. Nogmaals, dat zelf is niet Gods schepping maar de miscreatie van onze eigen denkgeest, bedoeld om ons van de bron van het probleem af te leiden: de beslissing in onze denkgeest om ons af te scheiden. Maar de schuldgevoelens die we met betrekking tot dit zelf in de wereld ervaren, kunnen niettemin gebruikt worden om ons terug te leiden naar de bewustwording van die keuze in onze denkgeest, als we onze eigen interpretaties over de betekenis en de oorzaak van die gevoelens niet opwerpen.

Aangezien niet alleen schuld en zonde, maar het zelf dat we geloven te zijn, deel uitmaken van de illusie, is het niet gemakkelijk voor ons te aanvaarden dat die schuld en zonde niet werkelijk zijn, want dan accepteren we ook dat wij niet werkelijk zijn. Daarom hebben we hulp nodig van buitenaf – van Jezus of de Heilige Geest – wanneer we het vergevingsproces van de Cursus beoefenen, om de schuld los te laten die wij tot werkelijkheid hebben gemaakt. En die hulp is een afspiegeling van de liefde die we diep van binnen echt zoeken. Wanneer we dus bereid zijn die hulp te aanvaarden, hebben we ons al verbonden met de liefde en vergeving die begraven liggen onder het geloof in zonde en schuld. Ons daarmee verbinden laat ons toe te weten dat zonde en schuld niet werkelijk zijn en dat je er dus helemaal niet mee bezig hoeft te zijn.