Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#577 Welke rol speelt karma bij genezing?

Wat zegt Een cursus in wonderen over karma, in het bijzonder in verband met genezing?

Antwoord: Je zou V#514-i en V#363 eens kunnen bekijken. Deze vragen gaan dieper in op de Cursus en karma. Karma is de onpersoonlijke wet van oorzaak en gevolg die werkbaar is in de wereld van tijd en ruimte, waar elke gedachte en handeling consequenties heeft. Karma vindt zijn oorsprong in de afscheidingsgedachte, waar oorzaak en gevolg van elkaar zijn afgesplitst en zich lineair door de tijd lijken voort te bewegen, zodat het verleden implicaties lijkt te hebben voor het heden en de toekomst. Aangezien tijd een illusie is, moet karma, zelfs los van alle implicaties die een oordeel lijken in te houden, binnen het ego-kader blijven. Vanuit een gezichtspunt van karma, zou genezing dus het loslaten inhouden van een schuld uit het verleden door middel van een soort aflossing (bv. ziekte of lijden), nu of in de toekomst.

De Cursus ziet genezing heel anders dan dit lineair proces. Niets uit het verleden kan de oorzaak zijn van wat ik in het heden ervaar, omdat er geen verleden is. De oorzaak is altijd een gedachte die ik in het heden eropna houd. Alleen de gedachte is volgens de Cursus de oorzaak van al wat ik ervaar. Als we iets anders wensen te ervaren, hoeven we alleen maar ons denken te veranderen (of de gids die we voor ons denken hebben gekozen). En deze verandering kost helemaal geen tijd. Dat legt Jezus uit in “De wetten van genezing”: “Alle ziekte komt voort uit afscheiding. Wanneer de afscheiding wordt afgewezen, verdwijnt ze. Want ze is voorbij zodra het idee dat haar heeft teweeggebracht is genezen, en door innerlijke gezondheid vervangen” (T26.VII.2:1-3).

Maar om deze omslag in het denken teweeg te brengen, moeten we ons bewust worden van wat we onbewust geloven over de oorzaak van ziekte. De Cursus gebruikt het woord ‘ziekte’ als meeromvattend dan fysieke symptomen – zien dat het lichaam ziek is, betekent in de eerste plaats dat de denkgeest ziek is (T28.II.11:7). En in feite bevestigt de Cursus dat het niet het lichaam is, dat ziek is (T29.II.8:1-2).

En dus gaat Jezus verder: “Ziekte en zonde worden als gevolg en oorzaak gezien, in een relatie die voor het bewustzijn verborgen wordt gehouden opdat ze zorgvuldig tegen het licht der rede kan worden afgeschermd” (T26.VII.2:4). Deze relatie is er een die we aanvaarden en geloven, maar ze werkt alleen omdat wij ervoor hebben gekozen ze te geloven. Dit is geldig of we nu van de karmische wetten spreken, of van de ‘wetten’ van het ego. “Schuld vraagt om straf, en dat verzoek wordt ingewilligd. Niet in waarheid, maar in de wereld van schaduwen en illusies die op zonde is gebouwd. De Zoon van God heeft waargenomen wat hij wilde zien, want waarneming is een wens die in vervulling is gegaan” (T26.VII.3:1-3).

Het is voor de meesten van ons zo dat onze investering in het denksysteem van het ego en de individuele identiteit die hij ons biedt, ons ervan weerhoudt de onmiddellijke bevrijding te ervaren die deze omslag in het denken ons biedt. En deze vertraging interpreteert het ego als bewijs dat er tijd nodig is om te genezen. Maar het is alleen onze eigen angst die ons ervan weerhoudt genezing nu te aanvaarden. De reden voor onze weerstand en angst wordt in het Handboek in de paragraaf over genezing heel duidelijk uit de doeken gedaan.

“Aanvaarden dat ziekte een beslissing is van de denkgeest, ter wille van een doel waarvoor hij het lichaam gebruiken wil, is de basis van genezing. …Er is geen enkele vorm van ziekte die niet onmiddellijk zou zijn genezen”.

“Wat is het enige vereiste voor deze omslag in de waarneming? Simpelweg dit: de erkenning dat ziekte iets van de denkgeest is, en niets met het lichaam uitstaande heeft. Wat ‘kost’ deze erkenning? Het kost je de hele wereld die jij ziet, want het zal nooit meer zijn alsof de wereld over de denkgeest heerst. Want met deze erkenning wordt de verantwoordelijkheid daar geplaatst waar ze thuishoort: niet bij de wereld, maar bij hem die naar de wereld kijkt en haar ziet zoals ze niet is. Hij kijkt naar wat hij verkiest te zien. Niets meer en niets minder. De wereld doet hem niets aan. Hij dacht alleen van wel. Evenmin doet hij de wereld iets, want hij vergiste zich in wat ze is. Hierin ligt de bevrijding van zowel schuld als ziekte, want die zijn een en hetzelfde. Maar om deze bevrijding te aanvaarden moet de onbeduidendheid van het lichaam een aanvaardbaar idee zijn” (H5.II.2:1, 13; 3).

We zien hier de correctie door de Cursus van de karmische wet – de wereld doet ons niets aan en wij hebben de wereld niets aangedaan. Er is geen wereld, alleen een droom van een wereld, en dus moeten er geen schulden worden betaald, behalve in dromen.