Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#575 Hoe ziet de Cursus de dynamiek van kindermisbruik?

In verband met V#365 over de rol van het kind bij kindermisbruik: wat is de rol van de volwassene in zo’n relatie? Het is duidelijk dat de volwassene niet tegen God zegt: ‘Zie eens hoe ik lijd’.

Antwoord: Zoals bekend, zijn veel volwassenen die kinderen misbruiken, zelf ooit misbruikt, en houden waarschijnlijk een onuitgesproken beschuldiging in stand tegen degenen die hen misbruikt hebben: ‘Ik kan het niet helpen dat ik dit doe, het is mijn schuld niet. Kijk maar wat er met mij is gebeurd!’ Dit is een andere manier om de afscheiding werkelijk te houden en er toch voor te zorgen dat iemand anders daar verantwoordelijk voor is. Bovendien koestert ieder die iemand anders aanvalt (of het nu een kind of een volwassene is) een zelfbeschuldiging van onvergeeflijke zondigheid, die hem zo kwelt dat ze wel buiten de denkgeest geprojecteerd moet worden en in een ander lichaam worden gezien en daar aangevallen.

De ultieme strategie van het ego is onze aandacht op het lichaam gericht te houden. Een van zijn favoriete middelen daartoe is het slachtofferschap waarnemen, zodat we zelden of nooit vermoeden dat de denkgeest de bron is van zowel de zonde als de verlossing van de zonde. Deze strategie van het ego ligt aan de basis van onze behoefte de fout te zoeken bij wat andere lichamen doen en ze dan te straffen door middel van vaak terugkerend misbruik, zowel fysiek als psychologisch. Jezus heeft deze strategie beschreven in Een cursus in wonderen, in de paragraaf getiteld “Wie zichzelf beschuldigt” (T31.III). Dus op een bepaalde manier zegt de volwassene die het misbruik pleegt, smekend tegen God: ‘Ik weet dat ik gemeen, kwaadaardig en wreed ben, maar het is mijn schuld niet!’ Het ego heeft bij dit proces een van zijn belangrijkste doelen bereikt, in die mate dat de werkelijkheid van de cyclus van slachtoffer / dader geldig wordt. De basis waarop het hele denksysteem van het ego rust is zonde: dat er een schuldige dader en een onschuldig slachtoffer is. Dit is de cyclus die het ego in onze relaties in de wereld probeert te bestendigen, tenzij we een andere Stem in onze denkgeest horen die ons oproept ons de waarheid van onze onschuld te herinneren, waar het onze relatie met God, onze Bron, betreft. Als er op dat ultieme niveau geen beschuldiging van zonde was, zou het idee van slachtofferschap nooit ontstaan zijn, en het is duidelijk dat er dan geen behoefte zou zijn om dat op een lichaam te projecteren.

Een volwassene die kinderen misbruikt, is dus een van de resultaten van de behoefte om iets te doen aan de martelende pijn van de gedachte van zelfhaat die de kern van onze identiteit is (WdI.93.1). Dit bepaalt in feite het doel dat het ego heeft voor het leven in het lichaam: het is de uitverkoren ontsnappingsroute uit de pijn en angst in de denkgeest. De bron van het slachtofferschap bevindt zich dus altijd in het (geestelijke of fysieke) lichaam, maar nooit omdat de denkgeest het verzonnen verhaal van het ego aanvaardt, over ontologische zonde, schuld en angst.