Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#569 Als ik iemand van aanval beschuldig, waarom houdt dat in dat ik ook moet hebben aangevallen?

In Kenneth’s commentaar op het Tekstboek van Een cursus in wonderen (Hoofdstuk 12), verklaart hij het volgende: “Ik interpreteer jouw aanval op mij als ongerechtvaardigd, wat heimelijk betekent dat ik weet dat het gerechtvaardigd is, omdat ik jou in mijn denkgeest eerst heb aangevallen.” Wil je dit mechanisme alsjeblieft verhelderen?

Antwoord: Iedere interpretatie die onze denkgeest – als die zich verbonden heeft met het ego – aan uiterlijke omstandigheden geeft, houdt onvermijdelijk tevens een geloof in het tegenovergestelde in. Want het ego denksysteem is een dualistisch systeem, gebaseerd op het geloof in tegenstelling. Wat we ook bewust ervaren, het is slechts de helft van het uit tegenstellingen bestaande ‘geheel’ dat het ego door middel van projectie heeft opgesplitst om verschillen en aanval werkelijk te maken. En dus herkennen we niet dat de twee helften werkelijk hetzelfde zijn (T6.II.1-3; T27.II.12-14).

Vanwege het projectiemechanisme, kan ik alleen aanval in jou zien als ik het eerst in mijzelf heb gezien. In feite besta jij, metafysisch gezien, uitsluitend als de projectie van mijn aanvalsgedachten, zodat ik er zelf geen verantwoordelijkheid voor hoef te aanvaarden. Mijn woede over jouw ‘ongerechtvaardigde’ aanval is louter de verdediging tegen de onbewuste schuld over mijn zelfbeschuldiging dat ik de aanvaller ben, die op mijn beurt straf en aanval verdient. De tegenstrijdige aard van het egodenksysteem is zodanig, dat waar ik het meest heftig tegen jou over protesteer altijd een projectie is van wat ik heimelijk over mijzelf geloof – dat is altijd het geval, zonder uitzondering (T6.In.1). Dat is een van de compromisloze leringen van de Cursus die haar voor studenten zo moeilijk te aanvaarden maakt, zo niet het principe, dan zeker wel de praktijk.

In werkelijkheid is vanuit het perspectief van de Heilige Geest geen van de ego-interpretaties – over jou, noch over mijzelf – waar. De Heilige Geest kiest geen partij, maar helpt ons in plaats daarvan eerst te herkennen dat beide helften hetzelfde zijn – mijn broeder en ik zijn één. En dan verwerpt Hij beide interpretaties als onjuist, omdat ze op het foutieve uitgangspunt zijn gebaseerd dat afscheiding, verschillen en aanval werkelijk zijn (T5.VI.10; T22.VI.12-13; T27.II.15-16). Met andere woorden: het uit tegenstellingen bestaande ‘geheel’ van het aanvallende ego is een illusie, dus ongeacht hoe het in stukjes wordt gehakt, er kan niets werkelijks of waars uit voortkomen.