Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#561 Wie is de 'ik' die het dood ego wil?

Mijn vraag is: wie is de 'ik' die het ego dood wil, maar niet zichzelf (T15.I.3:3)? Mijn eigen interpretatie is dat het ego de dood van mijn werkelijke Ik wil, de Christus. En mijn interpretatie van het idee dat het ego ons zelfs na de dood nog achtervolgt (T15.I.3:4), is dat we na de dood nog steeds anders willen zijn, een individu, speciaal, tenzij we bewust van gedachten zijn veranderd en dat hebben losgelaten. Daarom wil het ego zelf niet dood.

Antwoord: Voordat we je vraag beantwoorden, eerst wat achtergrondinformatie over de aard en de ‘werkelijkheid’ van het ego. Het ego is niets meer dan een onjuiste overtuiging over onszelf in de afgescheiden staat (T7.VIII.4:6-7). Naar het schijnt hebben we deze overtuiging buitensporig veel macht gegeven om onze keuzes en ervaringen te dicteren. Het is de keuze om onszelf als beperkt te zien, alleen, zondig, schuldig en met pijn. Het is een gedachte die tot elke prijs gericht is op zelfbehoud (T7.VI.3:1), ook in de dood. Om het ego te beschermen moeten we ontkennen dat het enkel onze keuze is, en dat we net zo makkelijk een andere keuze kunnen maken. Dit is zo’n verschrikkelijke bedreiging voor het voortbestaan ervan, dat we de macht van onze denkgeest, die voor het ego gekozen heeft, moeten ontkennen (T7.VI.3). Dus wanneer we onszelf met de egogedachte identificeren, willen we het keuzemakende deel van onze gespleten denkgeest ontkennen, ofwel doden.

Als deel van de mythe spreekt Een cursus in wonderen over het ego alsof het een aparte entiteit is die zelfstandig handelt. Dit verklaart waarom wij denken in de illusie vast te zitten. Het dient ook ons te helpen realiseren dat we niet moeten bagatelliseren hoezeer het ego ons denken doordringt (T4.VI.1:2-4). Ook stelt het ons in staat om zoetjesaan te leren ons er niet langer mee te identificeren, en zo de macht van onze denkgeest terug te winnen. Want we zijn geen ego.

Dus binnen de context van de egomythe is de ‘jij’ die het ego dood wil hebben niet de Christus, maar het keuzemakende zelf, dat nog altijd een deel van de gespleten denkgeest is. Het egozelf kan zich noch van God, noch van Christus bewust zijn, want Onbeperktheid valt buiten zijn eindige bevattingsvermogen (T4.VI.4).

En ja, beide aspecten van het gespleten zelf lijken voort te bestaan na de dood. Dit komt omdat de fysieke ‘dood’ louter een symbool is binnen de droom van afscheiding en geen effect heeft op de afscheidingsgedachte, noch op onze keuze ervoor als keuzemaker (T15.I.4:13-14). Dus moet dezelfde dynamiek van schuld en aanval doorgaan het spel te spelen in de gespleten denkgeest, tot we ervoor kiezen te ontwaken uit de droom van de dood. Want we beseffen – ten minste onbewust – dat de fysieke dood een illusie is die niets beëindigt (T15.I.4:5). Dus moet ontkenning van het keuzemakende deel van onze denkgeest – ofwel dit deel van de denkgeest doodwensen – voortgezet worden in iedere uithoek en door elke dimensie van de gespleten denkgeest. Dat deze dood nooit tot stand gebracht wordt is niet relevant voor het doel van het ego. Want zolang weglopen voor de dood zo’n obsessie en preoccupatie blijft, zullen we er niet bij stilstaan en ons afvragen of hij werkelijk is. Zo is het voortbestaan van de egogedachte verzekerd, in ieder geval voorlopig.