Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#541 Waarom moet ik ‘iets ongehoords’ doen als daarom gevraagd wordt?

Ik heb moeite met hoofdstuk 12, paragraaf III: De investering in de werkelijkheid. Jezus zegt dat als iemand iets ‘ongehoords’ vraagt, we het moeten doen omdat het niet van belang is. Dit bezorgt mij grote angst, omdat ik al mijn hele leven niet in staat ben nee te zeggen, wat ik voor mijn mentale gezondheid wel zou moeten doen. Ik dacht dat we onder geen andere wetten stonden dan die van God, en Hij nooit iets eist. Dit klinkt voor mij als een eis. Het geeft mij het gevoel dat ik onder iemands controle sta als hij me naar willekeur kan vragen iets te doen en kwaad wordt als ik het niet doe. Kennelijk interpreteer ik dit verkeerd omdat het me angstig maakt, in tegenstelling met de rest van Een cursus in wonderen. Hoe kan God van ons verwachten dat we op die manier voor de wensen van anderen buigen? Spreekt dit heel de rest niet tegen?

Antwoord: De verwarring die jij voelt over deze passage komt vaak voor bij Cursusstudenten, vanwege onze sterke op het ego gebaseerde neiging om vorm met inhoud te verwarren. Wees er zeker van dat Jezus nooit over gedrag spreekt, maar alleen over de onderliggende gedachten en houdingen. Laten we in een grotere verband naar deze zin kijken:

Onderken wat niet van belang is, en als je broeder jou iets ‘ongehoords’ vraagt, doe het dan omdat het niet van belang is. Weiger het, en je verzet bevestigt dat het voor jou wel van belang is. Jij bent dan ook de enige die het verzoek tot iets ongehoords hebt gemaakt, en ieder verzoek van een broeder is voor jou bestemd. Waarom zou je hem per se willen afwijzen? Als je dat doet, wijs je jezelf af en verarm je jullie beiden. Hij vraagt om verlossing, net als jij. Armoede is afkomstig van het ego, en nooit van God. Er kan geen ‘ongehoord’ verzoek worden gedaan aan iemand die onderkent wat waardevol is en niets anders wil accepteren.

Verlossing is bestemd voor de denkgeest, en ze wordt verkregen door middel van vrede. Dit is het enige wat kan worden verlost, en de enige manier waarop dat kan. Elke reactie anders dan liefde ontstaat uit een verwarring over het ‘hoe’ en ‘wat’ van verlossing, en dit is het enige antwoord” (T12.III.4:1-8; 5:1-3).

In deze specifieke passage zijn we geneigd onze aandacht te richten op het deel ‘doe het dan’ van wat gezegd wordt, hoewel de woorden die Jezus benadrukt en die gecursiveerd zijn betrekking hebben op onze interpretatie van het verzoek en onze motivatie. Hij legt de nadruk niet op ‘doe het dan’, maar op ‘omdat het niet van belang is’.

Jezus vraagt ons te kijken naar onze weerstand tegen het verzoek van onze broeder. Wanneer ons denken juist gericht is, zullen we het werkelijke verzoek horen dat achter de specifieke woorden schuilgaat. En we zullen bereid zijn te reageren, want – met de woorden uit deze passage – ‘hij vraagt om verlossing’. Onze reactie kan al of niet de vorm aannemen van wat hij vraagt – het verzoek van onze broeder niet weigeren betekent niet dat we gedragsmatig precies doen wat hij vraagt. Maar onze houding zal er niet een zijn van weerstand en afwijzing, maar van een openheid om te reageren met dat waar hij werkelijk om vraagt: liefde – waarvan hij niet weet dat die hem toebehoort.

Jezus wist dat we deze passage verkeerd zouden interpreteren doordat ons ego vorm en inhoud verwart, en daarom voegt hij enkele hoofdstukken verder een verduidelijking toe:

“Ik heb gezegd dat als een broeder iets dwaas van jou vraagt, dat te doen. Maar vergewis je ervan dat dit niet betekent iets dwaas doen wat hem of jou zou kwetsen, want wat de een kwetst zal ook de ander kwetsen. Dwaze verzoeken zijn alleen maar dwaas omdat ze in conflict zijn, aangezien ze altijd een of ander element van speciaalheid bevatten. Alleen de Heilige Geest herkent zowel dwaze als echte behoeften. En Hij zal jou onderwijzen hoe je beide kunt vervullen zonder een van beide te verliezen” (T16.I.6:4-8).

Nogmaals: Jezus verplaatst het aandachtspunt van het specifieke gedrag naar de onderliggende inhoud en vraagt ons dat we ons tot de Heilige Geest wenden om hulp, want onze eigen interpretatie zal het verzoek van onze broeder als een aanval zien, in plaats van een roep om liefde. Daarom moeten we eerst voor onszelf om hulp vragen, voordat we aan het werkelijke verzoek van onze broeder gehoor kunnen geven. Zolang we onszelf als begrensd en kwetsbaar zien, zullen we het verzoek van onze broeder als een onredelijke eis aan ons zien, en reageren we onvermijdelijk defensief, alsof we door de eisen van onze broeder gekleineerd kunnen worden. Maar als ons denken juist gericht is, zijn we in staat het verzoek van onze broeder te horen als wat het werkelijk is: een angstige roep om liefde van iemand die niet gelooft dat hij liefde verdient. En we zullen weten dat het enige antwoord waarom gevraagd wordt liefde is (T12.I.3-5), waar wij niet de bron van zijn.

Door onze bereidheid een kanaal te zijn voor de liefde waar hij om vraagt, zeggen we dat we bereid zijn zelf de liefde te ervaren. Zoals Jezus in de eerdere passage zegt, is dat de reden waarom een verzoek van een broeder weigeren betekent dat we ook onszelf verarmen. De woede en de weerstand die je voelt zijn de tekens dat het ego de touwtjes in handen heeft. Dus hoewel je voelt dat het wellicht nodig is je aan grenzen te houden om jezelf te beschermen, zegt Jezus dat het toch mogelijk is je broeders onderliggende verzoek om liefde te beantwoorden. Want Jezus zal ons nooit vragen iets te doen waarvan we geloven dat het onszelf zou kwetsen – wij zijn altijd degenen die dat van onszelf eisen.