Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#510 Betekent Jezus’ kruisiging dat hij gezakt is voor zijn eigen “Waarheidstest”?

Als je “De Waarheidstest” waar Jezus over spreekt in Hoofdstuk 14 van het Tekstboek van Een cursus in wonderen in overweging neemt, hoe kon Jezus dan gekruisigd worden? Ik begrijp dat hij geen angst voelde toen zijn lichaam werd ‘aangevallen’, wat een overtuigend voorbeeld van vergeving is. Maar het lijkt me duidelijk dat een broeder martelen en kruisigen geen manifestatie is van volmaakte vrede, en dát moet iedereen die hem ontmoette (of alleen maar aan hem dacht) hebben gevoeld. Probeerde Jezus zo nu en dan zijn eigen les te leren en niet die van God?

Antwoord: Het kan helpen om eerst te kijken naar de zin waar je naar verwijst in die paragraaf: “Als je volkomen vrij bent van iedere vorm van angst, en als al degenen die jou ontmoeten of zelfs maar aan je denken delen in jouw volmaakte vrede, dan kun je er zeker van zijn dat je Gods les hebt geleerd en niet die van jou” (T14.XI.5:2).

Er zijn zeker verschillende manieren waarop je in verband met de kruisiging naar deze passage kunt kijken. De eerste vraag die we onszelf kunnen stellen is of de kruisiging feit of fictie is. Het is tenslotte onze droom, en Jezus neemt zichzelf niet waar als deel ervan. Dus misschien is het verhaal louter de verbeelding van volgelingen die probeerden zijn ogenschijnlijke leven hier grootser te laten lijken, en een verhaal verzonnen over fysieke dood en fysieke opstanding.

Maar Jezus bespreekt de kruisiging in hoofdstuk 6 alsof het een historische gebeurtenis tijdens zijn aardse leven was, dus kunnen we overwegen wat deze passage in het licht van zo’n gebeurtenis kan betekenen. Een mogelijkheid is, zoals jij suggereert, dat Jezus zich tot aan zijn kruisiging nog met zijn ego identificeerde, en dus niet in volmaakte vrede was. De aanvallen door anderen tegen hem maakten dan simpelweg deel uit van zijn eigen vergevingslessen.

Maar sinds de kruisiging, en nu met de komst van zijn Cursus in de wereld, zullen maar weinig mensen redelijkerwijs ontkennen dat hij een manifestatie van volmaakte vrede is. Toch zijn er, ook vandaag de dag, veel mensen in de wereld die over hem gehoord hebben en aan hem denken en toch niet in vrede zijn, die soms woede voelen jegens hem, zelfs als ze student van zijn Cursus zijn. Bewijst dit dat hij nog steeds duistere, niet geleerde lessen moet leren? Dit lijkt zeer onwaarschijnlijk. Eerder in de Cursus maakt Jezus in feite een opmerking over de niet vredelievende manier waarop mensen op hem reageerden toen hij ogenschijnlijk onder hen verkeerde, hoewel zijn woorden eveneens voor zijn tegenwoordige studenten gelden: “Velen dachten dat ik hen aanviel, ook al was het duidelijk dat ik dat niet deed” (T6.B.1:5). Vervolgens legt hij uit dat als we het denksysteem van iemand anders niet delen, dan verzwakken we het, met als resultaat dat dit wordt gezien alsof we aanvallen, ook al is dat niet zo. Want elk van ons ziet buiten zichzelf wat hij eerst van binnen heeft gezien (T6.V.B.1:7-11).

Misschien is het probleem dat we Jezus’ bedoeling met deze passage verkeerd begrijpen. De zin zegt in feite dat al degenen “die aan je denken . . . delen in jouw volmaakte vrede”. Maar hij zegt niet dat iedereen deze volmaakte vrede aanvaardt en in vrede is. Als mijn denkgeest genezen is, dan weet ik dat iedereen die ik ken en die mij kent deze volmaakte vrede met mij moet delen, wil het volmaakte vrede zijn, ook al kan hun denkgeest er elk moment voor kiezen de werkelijkheid van die ervaring te ontkennen.

Maar als ik merk dat anderen op mij reageren en over me oordelen en als ik daar op een of andere manier op reageer, dan ben ik niet in volmaakte vrede en moet ik nog steeds mijn eigen duistere lessen leren. En omdat er uiteindelijk werkelijk niemand anders buiten mij bestaat, heb ik altijd alleen met de staat van mijn eigen denkgeest te maken, en met hoe ik zelf reageer op wat ik zie als andere, van mij afgescheiden, denkgeesten. Want als ik eenmaal werkelijk weet dat we allemaal één zijn, dan kan mijn ervaring in relatie tot alle aspecten van dat ene zelf – alle ogenschijnlijk afgescheiden fragmenten – er alleen een van volmaakte vrede zijn, die als één gedeeld moet worden met ieder aspect, ongeacht of ze die vrede op enig afzonderlijk moment in de tijd manifesteren.