Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#484 Kan een student van de Cursus toch de burgerplicht als jurylid vervullen?

Mijn vraag gaat over juryplicht. Kan een serieuze student van Een cursus in wonderen in een jury zitting hebben én trouw zijn aan de principes die in de Cursus onderwezen worden? Een jurylid wordt gevraagd actief te oordelen over iemand anders. De uitwerking van dat oordeel heeft gevolgen voor de beklaagde – en voor onszelf, omdat we één zijn met de beklaagde. Ik vraag me af of deel uitmaken van een jury in strijd is met principes van de Cursus, in termen van de benadering van de illusie van de wereld waarin we leven met een ‘juist gerichte denkgeest’. Moet een Cursusstudent die in vergeving gelooft, en zijn broeder als zichzelf ziet, trachten gewetensbezwaarde te zijn voor het jurylidmaatschap?

Antwoord: Vragen zoals die van jou horen tot de meest gestelde over het toepassen van de Cursus (zie vraag 31 in De meest gestelde vragen over Een cursus in wonderen, door Gloria en Kenneth Wapnick). Hoewel de zorgen die je opwerpt heel gerechtvaardigd lijken, komen ze voort uit een gangbare verwarring bij de meeste studenten als ze pogen de principes van de Cursus in hun leven toe te passen: de verwarring van vorm en inhoud (bijvoorbeeld T14.X.7,8; T23.II.16:5). De Cursus neemt nooit, op wat voor manier ook, stelling inzake vorm, dat wil zeggen inzake specifieke activiteiten of gedrag. Jezus houdt zich alleen bezig met inhoud: of onze denkgeest luistert naar de stem van het ego of de Stem namens God. Dat is het onderscheid tussen afkomstig zijn van een plaats in je denkgeest van woede en aanval of van mildheid en vrede. Soms is een van de meest behulpzame klaslokalen voor het leren van de vergevingslessen van de Heilige Geest er een waarin de grondregels overduidelijk het strijdperk van oordelen-en-schuld van het ego lijken te vertegenwoordigen. Want de Heilige Geest kan alles wat het ego gemaakt heeft voor afscheiding en aanval gebruiken voor genezing. (T25.VI.4:1).

Een rechtszaal kan in je denkgeest getransformeerd worden van een plaats van veroordeling en straf in een plaats van oprecht mededogen en erkenning van gedeelde belangen. Dit kan gebeuren ongeacht de specifieke uitspraak – schuldig of niet schuldig – die de jury, inclusief jijzelf, doet. Hoe is dit mogelijk? De sleutel is, zoals reeds gemeld, dat je focust op de inhoud in je denkgeest en niet op de specifieke vorm waaraan je deelneemt. Dit is gewoonlijk een proces waarin je je eerst bewust wordt van alle ego-oordelen die de situatie voor jou naar boven haalt: jouw reacties op de gedaagde, de aanklager, hun advocaten, de rechter, je collega-juryleden – er zijn hier gewoon zó veel mogelijkheden om oordelen te vellen! En jouw ego heeft je, heel slim, in naam van de Cursus, aangemoedigd de juryplicht te vermijden, om zo te voorkomen dat je betrokken raakt bij de ‘verboden’ activiteit een medemens te beoordelen. Maar dat doen wij allemaal voortdurend, waar we ons ook lijken te bevinden. Er is geen hiërarchie binnen de illusie (T23.II.2:3) – geen enkel ego-oordeel is slechter dan een ander want ze leiden allemaal tot dezelfde ongelukkige ervaring van afscheiding.

Het is ook heel behulpzaam onderscheid te maken tussen oordelen als veroordeling en oordelen eenvoudigweg als onderscheid. Het evalueren van de feiten en omstandigheden van een zaak en het trekken van conclusies over de vraag of de beklaagde feitelijk gedaan heeft waar hij of zij van wordt beschuldigd, hoeft geen veroordeling in te houden. Iemand in een rechtbank ‘schuldig’ bevinden is eenvoudigweg concluderen dat die persoon verantwoordelijk is voor de aanklachten die tegen hem of haar zijn ingebracht. Iedere interpretatie over de onwaardigheid en zondigheid van betrokkene als afgeleide van de uitspraak, is de ongegronde toevoeging van het ego.

Jezus geeft een mooie demonstratie van het gebruik van oordelen-als-onderscheid wanneer hij over het ego spreekt. Specifiek zegt hij: “Oordelen kan, net als elke andere verdediging, gebruikt worden om aan te vallen of te beschermen, om te kwetsen of te genezen. Het ego moet beoordeeld en dan te licht bevonden worden” (T4.IV.8:7-8). Dit is simpelweg een weergave van een feit en moet niet gelezen worden als een veroordeling van het ego. Want waarom zou Jezus een illusoire gedachte veroordelen waarvan hij weet dat die geen macht heeft?

Het feit dat sommige acties in de wereld gevolgen hebben – bijvoorbeeld dat overtreding van de wet leidt tot een veroordeling tot gevangenisstraf of een geldboete – hoeft niet als bestraffing gezien te worden. Het doel dat we in onze eigen denkgeest aan het gevolg geven bepaalt of we het geloof versterken in gescheiden of in gedeelde belangen, niet alleen met betrekking tot de veroordeelde, maar met betrekking tot al onze broeders en zusters. Nogmaals, het herkennen van gevoelens van woede en veroordeling die we tegen de veroordeelde koesteren – wat vanzelfsprekend leidt tot het verlangen naar wraak en straf - maakt het mogelijk de zaak te benaderen vanuit een plaats van gedeelde, in plaats van gescheiden belangen. Eerlijk zijn tegenover onszelf over de reacties van ons ego stelt ons in staat hulp te vragen om zowel onszelf als degenen waarop we onze schuld projecteren in een ander licht te zien. Wanneer we onze eigen investering in een bepaalde uitkomst hebben losgelaten, dan kunnen we in de rechtszaal een aanwezigheid worden die op een andere manier oordeelt, die alles wat ieder van ons doet herkent als een uitbreiding van liefde of als een vraag naar liefde. (T12.I)