Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#467 De Gulden Regel

Wat als kern van de westerse moraal, en als een van de belangrijkste boodschappen van Jezus wordt beschouwd, is “anderen te bejegenen zoals jij door hen bejegend wilt worden” (T1.III.6:2). Vanuit het perspectief van Een cursus in wonderen is dit echt wel een verwarrende boodschap, als je bedenkt dat we niet weten wat ons hoogste belang is wanneer we ons met het ego vereenzelvigen. Is er een stelregel in de leringen van de Cursus die deze Gulden Regel herinterpreteert?

Antwoord: Er is maar één plaats in de Cursus waar Jezus de Gulden Regel vermeldt, en dat is in het eerste hoofdstuk: “De Gulden Regel is de regel voor juist gedrag. Je kunt je niet juist gedragen als je niet correct waarneemt. Aangezien jij en je naaste gelijkwaardige leden van één familie zijn, zul je beiden bejegenen zoals je beiden waarneemt. Je dient vanuit de waarneming van jouw eigen heiligheid naar de heiligheid van anderen te kijken”(T1.III.6:4-7).

Zoals je zelf zegt, kunnen we niet weten wat ons hoogste belang is, of dat van anderen, wanneer we ons met het ego vereenzelvigen. Vergeving is wat in ons hoogste belang is, en het ongedaan maken van de afscheiding. Maar dat heeft alleen betrekking op de inhoud van onze denkgeest, niet op ons gedrag. Dus als we zonder oordeel naar onszelf en anderen kijken, en zien dat onze belangen dezelfde zijn en niet in strijd met die van ieder ander, dan hebben we tegen het ego gekozen en zijn in ons juist gerichte denken. Dan delen we de waarneming van de Heilige Geest, die ons allen als de ene Zoon ziet, en tenminste op dat ogenblik zullen onze handelingen alleen door liefde worden geleid. Jezus wil zo graag dat we inzien wat de ongelukkige gevolgen zijn als we in de val gelopen zijn van wat het ego onderricht: dat het geen effect op onszelf heeft als we over anderen oordelen en hen veroordelen. De correctie van die misvatting is de kern van zijn onderricht, en wordt bijvoorbeeld in deze twee lessen klaar en duidelijk gesteld: “Ik kan alleen mijzelf maar kruisigen” (WdI.196) en “Wanneer ik genezen word, word niet ik alleen genezen” (WdI.137).