Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#463 Vragen over het aanvaarden van de Heilige geest of Jezus als verbinding met God

De antwoorden op de vragen in dit forum verwijzen vaak naar ‘Jezus of de Heilige geest’. Ken Wapnick doet dat ook in wat hij schrijft. Bij de studie van Een cursus in wonderen heb ik me altijd prettiger gevoeld bij de term ‘Heilige Geest’ dan bij de term ‘Jezus’ Hoewel ik de autoriteit van Jezus, of zijn auteurschap van de Cursus niet betwijfel, heb ik er wel moeite mee om Jezus – een fysieke persoon – als visualisatiemiddel te gebruiken om leiding te ontvangen. Op de een of andere manier gaat dit voor mij in tegen wat we met de Cursus proberen te bereiken, namelijk onszelf zien als deel van Gods Denkgeest, verbonden met God, en niet als een afgescheiden lichaam. Ik zie in dat we, zolang we onszelf als gescheiden lichamen waarnemen, een afzonderlijke ‘hogere macht’ nodig hebben om ons te leiden. Maar ik voel me meer op m’n gemak met een abstract begrip zoals de Heilige Geest, die in onze denkgeest aanwezig is, dan met het begrip van een fysiek lichaam met de naam Jezus, die duidelijk gescheiden is van mijn fysieke lichaam. Zelfs tekeningen van Jezus hinderen me een beetje wanneer die geassocieerd worden met de Cursus, want er wordt een lichaam afgebeeld, en een lichaam staat voor afscheiding. Ik weet dat het lichaam neutraal is, en niet gehaat of geliefd moet worden. Maar het gaat er in mijn vraag om of mijn gevoelens gerechtvaardigd zijn. Is de ‘Heilige Geest’ een zuiverder en misschien betere manier om onze verbondenheid met God te zien en te ervaren, dan de visualisatie van een menselijk lichaam, Jezus genaamd? Maar anderzijds: kan het zijn dat mijn gevoelens duiden op een soort weerstand om Jezus te aanvaarden? Of maak ik een berg van een molshoop?

Antwoord: Dit is een belangrijke vraag, waar veel studenten door de jaren heen mee hebben geworsteld. Sommigen vinden het makkelijker om tot de Heilige Geest als een abstracte aanwezigheid in relatie te staan; sommigen hebben meer baat bij de meer persoonlijke aanwezigheid van Jezus – beiden zijn uiteraard in onze denkgeest aanwezig. Het doet er niet toe wie je kiest, omdat ze qua functie identiek zijn: Jezus is de manifestatie van de Heilige Geest. Het enige belangrijke is dat je een symbolische relatie ervaart die de liefdevolle bron achter het symbool van Jezus weerspiegelt; een symbool dat je helpt liefde zo innig mogelijk als één-zijn te ervaren. “De naam van Jezus Christus als zodanig is slechts een symbool. Maar het staat voor liefde die niet van deze wereld is” (H23.4:1,2). En als je voor Jezus kiest, hoef je je beslist niet met afbeeldingen te omringen. Het is interessant te zien hoe veel mensen, zelfs in verband met de ‘abstracte’ Heilige Geest, toch het een of ander beeld gebruiken – meestal een duif of een andere vogel. De Cursus gebruikt zelf lichamelijke symbolen: naar de Heilige Geest wordt bijvoorbeeld verwezen met Hij, als een Leraar, een Stem, en een Middelaar.

Zoals je zelf al aangeeft, kan het nuttig zijn de mogelijkheid te onderzoeken dat je gevoelens over Jezus (of het lichaam) koestert die maken dat je afstand houdt. In relatie staan tot hem als een afzonderlijke persoon, gaat niet echt in tegen wat we in de Cursus proberen te bereiken. Zoals je weet moedigt hij ons in feite juist aan om dat te doen. Om van vele passages er twee aan te halen: “Probeer op elke manier die jou aanspreekt voorbij de wolken te gaan. Als het je helpt, denk dan dat ik jouw hand vasthoud en je leid. En ik verzeker je dat dit geen hersenschim zal zijn” (WdI.70.9:2-4). “Aan zijn zijde gaan is even natuurlijk als aan de zijde van een broer gaan die jij vanaf je geboorte kent, want dat is hij voorwaar. Wrange idolen zijn er gemaakt van hem die slechts een broeder voor de wereld wilde zijn. Vergeef hem jouw illusies en zie welk een dierbare broeder hij voor jou wil zijn” (VvT5.5:6-8).

Als we dit ‘juist’ doen, beperken we onze relatie met hem niet tot het fysieke domein, want dat zou hij nooit van ons willen, gezien zijn waardeoordeel over het lichaam (bijvoorbeeld: T19.IV.A.17:5,6; T19.IV.B.14). Jammer genoeg is dit echter wel wat in de meeste van de heersende christelijke religies is gebeurd. In dit verband is het bijzonder nuttig om Les 151 te bestuderen. Die illustreert zo prachtig hoe Jezus ons onderwijst. Hij begint met wat we het beste kennen – wat onze zintuigen ons vertellen, en hoe we met “koppige zekerheid” geloven wat ze ons vertellen – en leidt ons vervolgens daaraan voorbij, zodat we vrij kunnen zijn van conflict en “pijn, onheil, lijden en verlies” (WdI.151.5,10). Wat een liefdevolle, vriendelijke manier om te onderwijzen!

Het aandachtspunt van een relatie met Jezus is dus niet zozeer op hem als een lichaam gericht, als wel op de liefde die hij vertegenwoordigt. Want dat is de manier waarop we ons weer bewust zullen worden van de aanwezigheid van liefde die we, door het lichaam als onze werkelijkheid te kiezen, zo energiek en vastberaden hebben proberen te blokkeren. Wanneer we het einde van de reis naderen, de laatste fase van het ontwikkelen van vertrouwen (H4.I.A), beseffen we dat er slechts één liefde is; dat er geen ‘Jezus en ik’ is; dat er geen afscheiding is. Dat is natuurlijk onze grootste angst: het verdwijnen van ons individuele zelf. Maar dat gebeurt pas als we net als Jezus aanvaarden dat liefde onze enige identiteit is. Dan zijn we veilig en is verlies onmogelijk. “Liefde is jouw veiligheid. Angst bestaat niet. Vereenzelvig je met liefde en je bent veilig. Vereenzelvig je met liefde en je bent thuis. Vereenzelvig je met liefde en vind jouw Zelf” (WdII.5.5:4-8).

Je wilt wellicht langer stilstaan bij een punt in je vraag, namelijk dat zolang we onszelf als een afgescheiden lichaam ervaren, we een afzonderlijke ‘hogere macht’ nodig hebben om ons te leiden. De weerspiegeling van de hemelse Liefde wordt in de Cursus doelbewust in lichamelijke termen tot ons gebracht. We zouden onmogelijk ook maar het flauwste vermoeden kunnen krijgen van wat die Liefde is zonder dat ze – tenminste in de eerste etappes van onze reis – in een lichamelijke vorm wordt aangeboden. Onze investering in de overtuiging dat het fysieke rijk werkelijkheid is, is veel te groot; en onze schrik dat het niet de werkelijkheid is, is zelfs nog groter. Met Jezus in relatie staan als onze gelijke, is dan ook enorm behulpzaam om de veel voorkomende fout te vermijden, die vaak zowel fysiek als spiritueel rampzalige gevolgen heeft, namelijk dat stappen worden overgeslagen – dat onze fysieke ervaring, lichamelijke behoeftes enz. worden ontkend, en meteen de sprong naar het domein van de geest wordt gemaakt. Jezus vraagt ons: “Kun jij die jezelf in een lichaam ziet jezelf kennen als een idee? Alles wat jij ziet vereenzelvig je met uiterlijkheden, met iets buiten zichzelf. Je kunt niet eens denken aan God zonder een lichaam, of in een of andere vorm die je denkt te herkennen” (T18.VIII.1:5-7). Het zachtaardige pad van de Cursus wil dus dat we, zolang we denken dat we een lichaam zijn, volledig aanwezig zijn in deze ervaring, maar Jezus dan wel vragen ons te helpen zodat we deze lichamelijke ervaringen kunnen gebruiken om bij de pijn in onze denkgeest te komen. Die pijn is een gevolg van onze voortdurende beslissing onze eigen beperkte versie van liefde te kiezen, in plaats van onze ware Identiteit als deel van het één-zijn van onbegrensde Liefde, die in onze denkgeest gesymboliseerd wordt door de liefdevolle tegenwoordigheid van onze broeder Jezus.