Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#461 Waar komt de levenskracht van dieren en planten vandaan?

Aangezien Een cursus in wonderen onderwijst dat de wereld die we zien een illusie is, vraag ik me vaak af waar de levenskracht van dieren, planten, enz. vandaan komt. Uiteraard van God. Maar hoe kan God in deze illusie zijn?

Antwoord: Zoals je al vermoedt, kan God niet in de illusie zijn. Dat zou onzinnig zijn. Zo is er evenmin levenskracht in de illusie. “Er is geen leven buiten de Hemel” (T23.II.19:1), zoals de hele Cursus door compromisloos onderwezen wordt. Wat aan ons verschijnt als levende lichamen zijn projecties van onze denkgeest. Die heeft de beslissing genomen zich met het egodenksysteem van afscheiding te vereenzelvigen, en doet daarbij al het mogelijke om ons ervan te weerhouden ons te herinneren dat leven alleen de het volmaakte een-zijn van God in de Hemel is. Er is maar één gedachte die keer op keer en steeds weer versplinterd wordt (T18.I.4). Door heel de Cursus heen probeert Jezus ons te helpen tot het inzicht te komen dat alles wat we waarnemen figuren zijn in een droom die we (onze denkgeesten) dromen. “Er is geen wereld los van wat jij wenst. … Ideeën verlaten hun bron niet” (WdI.132.5:1,3). Met betrekking tot het lichaam zegt Jezus: “Wat jij ‘leven’ hebt gegeven leeft niet, en symboliseert slechts je wens om los van het leven te leven, levend in de dood, waarbij de dood als leven wordt gezien, en leven als de dood” (T29.II.6:2). Als dit verwarrend klinkt, is dat omdat het verwarrend is, zoals Jezus vervolgens verklaart: “Verwarring volgt hier op verwarring, want deze wereld werd op verwarring gebouwd, en er is niets anders waarop ze rust” (T29.II.6:3). Daarom hebben we hulp nodig van iemand die zich buiten dit waansysteem bevindt, en kunnen we niet op onze waarneming vertrouwen om ons te zeggen wat werkelijk en wat niet werkelijk is. We zijn nu te zeer in de war om dat te weten!

Jezus leidt ons terug in de goede richting door ons te trainen zodat we onze aandacht richten op het doel van hoe we denken en ons gedragen. We zijn té bang en hebben téveel geïnvesteerd in de door ons gewenste werkelijkheid van de afscheiding om onze hallucinaties over het fysieke leven onmiddellijk te stoppen, hoewel we dat in principe zouden kunnen (T20.VIII.7-9). Jezus laat ons daarom een programma volgen dat de denkgeest traint en ons met mildheid helpt onze koers naar de waanzin (door iets te zien wat er niet is) een andere wending te geven. En de kern van dat proces is in de eerste plaats het egodoel leren herkennen dat achter de meeste van onze handelingen schuilgaat, namelijk onze belangen zien als afzonderlijk van die van anderen en altijd in conflict ermee. Vervolgens vragen we hulp om het doel van de Heilige Geest te aanvaarden: onze belangen te zien als dezelfde als die van ieder ander. Als dat steeds natuurlijker voor ons wordt, wordt onze vereenzelviging met het lichaam steeds minder, en we voelen ons steeds meer op ons gemak als we eerst denken en daarna ervaren dat we denkgeest zijn. Aan het eind van dat proces, dat heel veel jaren in beslag neemt, zal het in ons dagen dat het fysieke leven onwerkelijk is. We hoeven onszelf niet te dwingen om te stoppen met waarnemen zoals we dat nu doen. De omslag zal vanzelf plaats vinden, naarmate we ons concentreren op doel en motivatie.