Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#458 Is het ‘hiernamaals’ een egoconcept?

Is het ‘hiernamaals’ een op het ego gebaseerd concept? Hoe gaat we verder met het beoefenen van de principes van Een cursus in wonderen als we niet langer in een fysieke verschijningsvorm zijn?

Antwoord: Ja, het is een op het ego gebaseerd concept, eenvoudigweg omdat het impliceert dat ‘leven’ begint, verandert en eindigt. Een belangrijk principe van Een cursus in wonderen is: “er is geen leven buiten de Hemel. Waar God leven heeft geschapen, daar moet leven zijn. In elke toestand die los staat van de Hemel is leven een illusie… Leven dat niet in de Hemel is, is onmogelijk, en wat niet in de Hemel is, is nergens” (T23.II.19:1,2,3,6). In het Handboek voor leraren behandelt Jezus bovendien het idee van een ziel of andere entiteit die doorgaat na de dood van het lichaam: “Het merkwaardige geloof dat er een deel van de stervende dingen is dat voort kan gaan los van wat zal sterven, verkondigt niet een liefdevolle God, en herstelt evenmin enige grond voor vertrouwen. Als de dood voor wat dan ook werkelijk is, dan is er geen leven. De dood ontkent het leven. Maar als er werkelijkheid is in het leven, dan wordt de dood ontkend. Hierin is geen compromis mogelijk. (H27.4:1-5). Dus alles wat op enige manier lijkt te sterven kan niet werkelijk zijn. Deze verklaringen zijn onderdeel van wat we Niveau één van de Cursus noemen [het metafysische niveau –vert.].

Anderzijds zijn er veel plaatsen in de Cursus waar reïncarnatie sterk wordt geïmpliceerd door Jezus: het vele malen terugkomen tot we onze vergevingslessen afgerond hebben. Dit is het andere niveau van de Cursus, Niveau twee [het praktische niveau dat binnen de droom speelt –vert.]. De nadruk ligt echter altijd op de denkgeest, niet de fysieke vorm of enige andere vorm. Er is alleen een denkgeest die denkt dat hij een lichaam is, zodat hij kan vergeten dat hij een keuzemakende denkgeest is. De reden is dat hij het zijn van een denkgeest is gaan associëren met zonde, schuld en angst voor vernietiging door God, van Wie het zijn leven heeft gestolen. Het is altijd de denkgeest die de Cursus beoefent; Jezus spreekt ons altijd aan als keuzemakende denkgeest en niet als lichaam. Wanneer we vergeving beoefenen en steeds meer leren hoe we kunnen zien dat we allen een gemeenschappelijk belang delen, begint onze identificatie met het lichaam (vorm) af te nemen, en stellen we opnieuw onze identiteit als denkgeest vast. Als deel van dit proces komt er een heroriëntatie van ons denken over de dood: namelijk als een gedachte in onze denkgeest, en niet als een fysieke gebeurtenis, hoewel het een fysieke gebeurtenis lijkt te zijn. “We weten dat een idee zijn bron niet verlaat. En de dood is het gevolg van de gedachte die we het ego noemen, even zeker als het leven het gevolg is van de Gedachte van God” (T19.IV.C.2:14,15). Dus hoe meer we over onszelf leren denken als denkgeesten, hoe minder we geïdentificeerd zijn met onze lichamen (homo sapiens). We zullen het punt bereiken dat we ons realiseren dat er niets gebeurt met onze denkgeest wanneer het lichaam sterft, omdat we om te beginnen nooit in het lichaam waren. Het lichaam was eenvoudigweg een projectie van de denkgeest. Wanneer onze denkgeest nog niet genezen is, zullen we doorgaan met dit proces, in de vorm die wij verkiezen en die het meest behulpzaam is. We zijn nooit niet in onze denkgeest.