Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#430 Waarom is er “slechts één” leraar van God nodig om te wereld te redden?

In het Handboek voor Leraren van Een cursus in wonderen wordt de vraag gesteld: “Hoeveel leraren van God zijn er nodig om de wereld te redden?” Het antwoord op deze vraag is: “een”. Was Jezus niet reeds die ene leraar? Als we allen één denkgeest zijn, waarom zou er dan nog een andere ‘geheel volmaakte leraar’ (H12.1:1) nodig zijn?

Antwoord: Je hebt gelijk, we zijn allen één denkgeest en er is geen andere ‘geheel volmaakte leraar’. Jezus is die ene leraar, samen met ons allen. De Cursus zegt dat wanneer de denkgeest van een afgescheidene de Verzoening aanvaardt, het bewustzijn van onze ware Identiteit als de ene, onschuldige Zoon van God terugkeert in de denkgeest. Met dat bewustzijn gaat de erkenning gepaard dat afscheiding onmogelijk is en aldus wordt de wereld ‘gered’. De wereld hoeft echter niet werkelijk gered te worden. Op de eerste plaats: “er is geen wereld” (WdI.132.6:2), en op de tweede plaats: omdat het al volbracht is brengt verlossing alleen maar de waarheid terug naar het bewustzijn. Door genezing van ‘één’ denkgeest wordt het hele Zoonschap genezen. Dat komt omdat de genezen denkgeest zich niet langer identificeert met het afgescheiden individu. Zoals het Handboek stelt in de paragraaf waarnaar je verwijst: “Zo wordt de zoon des mensen de Zoon van God” (H12.2:1). De aanvaarding van onze Identiteit als Gods onschuldige Zoon sluit iedereen in, omdat we allen delen in dit Zoonschap. Iedere ‘zoon’ wordt dezelfde ‘Zoon’, die de ene leraar is. Dit moet zo zijn omdat verlossing de genezing van de gedachte van afscheiding is. Zij is niet compleet zolang er iemand op een of andere manier als afgescheiden wordt gezien. Dat is de reden waarom de Cursus, steeds wanneer hij verwijst naar genezing of verlossing, ons eraan herinnert dat we nooit alléén genezen of verlost worden. Een van de meest duidelijke uitspraken van Jezus hierover is: “En wanneer jij jezelf laat genezen, zie je al degenen om je heen, of die in je denkgeest opkomen, of met wie je in aanraking komt, of wie geen contact met je schijnen te hebben, samen met jou genezen. Misschien zul je ze niet allemaal herkennen, noch beseffen hoe groot jouw geschenk aan heel de wereld is, wanneer jij genezing tot je laat komen. Maar jij wordt nooit alleen genezen. En talloos velen zullen het geschenk ontvangen dat jij ontvangt wanneer jij genezen wordt” (WdI.137.10).