Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#258 Is vergeving een proces of een eenmalige actie?

Ik probeer al een tijdje een belangrijke persoon in mijn leven te vergeven, al van voor ik met Een cursus in wonderen begon, en nog gerichter, sinds ik ermee bezig ben. Als gevolg daarvan zijn er momenten waarop ik veel van mijn grieven losgelaten lijk te hebben, maar dan veroorzaakt iets weer pijn en barst alles weer in alle hevigheid los. Soms voelt het alsof ik alleen maar de toppen van dit giftige onkruid van grieven wegsnoei, in plaats van het met wortel en al uit te trekken. Welk advies heb je voor zo’n situatie? Moet ik vergeving zien als een proces, of is het een óf/óf-beslissing, een definitieve beslissing? En als het dit laatste is, hoe neem ik dan uiteindelijk die beslissing?

Antwoord: Je metafoor voor hoe je onkruid uittrekt, is heel toepasselijk. Je raakt nog niet aan de wortel van het probleem, zolang je je aandacht op de ander richt, want dat is inspelen op waar Jezus naar verwijst in de brochure Het lied van het gebed als "vergeving-ter-vernietiging" (L2.II). De ego-versie van vergeving is om zonde tot werkelijkheid te maken in iemand anders en dan te proberen die te ‘vergeven’. Zoals je merkt, werkt dit gewoon niet. Maar dat is natuurlijk altijd het doel van het ego: "Zoek maar vind niet" (T16.V.6: 5).

De Cursus daarentegen probeert je naar een ervaring van ware vergeving te leiden waarbij je inziet dat "wat jij dacht dat je broeder jou heeft aangedaan, niet heeft plaatsgevonden" (WdII.1:1). In metafysische zin is dit waar op het niveau van het daadwerkelijke gedrag dat je deze andere persoon verwijt, omdat wij de dromer van onze droom zijn en wij de rollen toewijzen aan de figuren in onze droom. Maar om op een praktischer niveau te begrijpen wat Jezus bedoelt, moet je inzien dat het jouw interpretatie is van wat deze andere persoon heeft gedaan die de oorzaak is van je woede en je grief, en niet wat die persoon daadwerkelijk heeft gedaan (H17.4). Je geeft deze persoon er op een bepaald niveau de schuld van dat hij je van je vrede, liefde, vreugde, veiligheid, enzovoort berooft. Maar niemand kan ons één van deze ervaringen ontnemen, tenzij we er eerst voor hebben gekozen ze weg te geven (T4.IV.3:3). Het goede nieuws is dus dat we niet hoeven te veranderen wat de andere persoon heeft gedaan, wat we natuurlijk sowieso niet kunnen doen. We hebben alleen hulp nodig bij het veranderen van onze interpretatie van wat er is gebeurd. Hoe doen we dat?

Waar de meesten van ons zich niet bewust van zijn, is dat we in onze denkgeest een enorme last van niet-erkende schuld dragen die onbewust de controle heeft over de interpretaties van al onze interacties door te dicteren dat we schuld moeten zoeken en vinden in iedereen behalve in onszelf (T19.IV.B.i.12). De bron van onze schuld is de verkeerde overtuiging, waar we ons aan vastklampen, dat we een afzonderlijk individueel bestaan hebben opgebouwd, los van God en ten koste van Hem. En het heeft Hem Zijn totale vernietiging gekost. De schuldgevoelens bij zo’n afschuwelijk vergrijp zijn onvoorstelbaar en dus verdedigen we ons door die buiten onze denkgeest te projecteren. Onze woede jegens iemand anders is dan ook altijd onze poging om te rechtvaardigen dat we de schuld van de afscheiding buiten ons zien om zo de projectie die we maken te versluieren (T6.In.1:2).

We proberen allemaal precies hetzelfde te doen. We lopen allemaal rond met een intense schuld, die bedekt wordt met een ziedende woede die onze poging is om de schuld binnenin te ontkennen en die buiten ons te zien. We kunnen proberen aan dit alles een mooi, sociaal passend gezicht van onschuld te geven (T31.V.2), maar de woede, en de schuld die deze voedt, borrelen altijd net onder de oppervlakte. En daar blijven ze en beïnvloeden al onze interacties, soms subtiel, soms niet zo subtiel, tot we bereid zijn om het uitdagende en moeilijke werk te doen en naar binnen te kijken, voorbij de woede naar de schuld die eronder begraven ligt. Vergeving heeft dus echt niets met die andere persoon te maken, wat deels onze weerstand tegen het beoefenen ervan verklaart. Want in plaats van onze woede te rechtvaardigen, vraagt Jezus ons – als we werkelijk genezen willen worden – om te erkennen dat onze grieven niets anders zijn dan een dekmantel voor onze schuld. Woede wordt dan een signaal dat er een donkere plek in onze denkgeest is. En Jezus helpt ons in te zien dat onze schuld, net als onze woede, niet is wat ze lijkt te zijn. Ze lijkt alleen werkelijk en zwaar en ernstig zolang ze gehuld blijft in de duisternis. De onwerkelijkheid ervan wordt duidelijk wanneer we toelaten dat het licht van ware vergeving erop schijnt. Dit is de bevrijding die we zoeken, maar zolang we ons nog steeds met ons ego vereenzelvigen, is het ook een reden tot angst.

We voelen weerstand om naar binnen te kijken, we houden liever vast aan onze woede en blijven onze schuld projecteren, omdat dit de verdedigingslagen zijn die we onbewust beschouwen als een bescherming van ons individuele zelf (T21.IV.1,2,3). En dus schuilt er angst onder de woede en de schuld – angst dat we zullen verdwijnen als we vergeven, dat God het leven dat we Hem ontstolen hebben, terug zal grijpen. Om al deze redenen zal vergeving een proces voor ons zijn, zoals jij al suggereert, en niet gewoonweg een definitieve beslissing – tot het einde van het proces, wanneer we bereid zijn om onze ego-identiteit volledig los te laten.

Hoe meer we bereid zijn onze eigen schuld bloot te leggen en toe te laten dat deze wordt genezen, des te meer zullen we uiteindelijk inzien dat degenen jegens wie we grieven koesteren, alleen maar dezelfde bevrijding nodig hebben als waar wij naar op zoek waren. En hun schuld is niet werkelijker dan de onze. Als we dat inzien kunnen we werkelijke vergeving ervaren, want de interpretatie van wat er tussen ons is gebeurd, is nu die van de Heilige Geest en niet langer de onze.

Voor een verdere bespreking van het vergevingsproces, kun je V#44 en V#69 bekijken.