Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#241 Betekent voor de Cursus en voor Jezus kiezen een speciale relatie met hen aangaan?

Jezus is voor mij een symbool van Gods Liefde in mijn denkgeest, en ik gebruik het, afgewisseld met dat van de Heilige Geest, om te kijken naar de blokkades (grieven) in mijn denkgeest. Ik maak geen bekeerlingen voor Een cursus in wonderen, en voel zeker dat iedereen zijn eigen spirituele pad moet kiezen. Maar kortgeleden las ik dat iemand op het internet suggereerde dat iemand die gebruik maakt van de Cursus of Jezus, een speciale relatie met beide heeft gevormd. Zo zie ik het niet. Kun je mij jouw mening hierover geven?

Antwoord: Zolang we maar enigszins geloven dat de afscheiding werkelijk is, en zolang we ons in enige mate met het lichaam identificeren, beginnen al onze relaties als speciaal: “. . . iedere relatie waaraan het ego zich waagt, is speciaal” (T15.VII.1.7). In Een cursus in wonderen heeft de term ‘speciaal’ betrekking op het geloof dat aangezien we afzonderlijke individuen in een lichaam zijn, dat we incompleet zijn en behoefte hebben aan personen, dingen en gebeurtenissen buiten onszelf, om ons compleet te maken. Met andere woorden: iedereen die enige behoefte in zichzelf waarneemt (dit betekent eigenlijk iedereen), brengt speciaalheid in al zijn relaties. Alleen zij die de Verzoening voor zichzelf hebben aanvaard gaan geen relatie met speciaalheid aan. Het feit dat Jezus (of de Heilige Geest) als anders wordt waargenomen doordat hij de herinnering van Gods liefde in de denkgeest symboliseert, maakt hem speciaal. In waarheid zijn we niet alleen één met de symbolen van de herinnering van God: we zijn één met God en thuis in de Hemel. Dít alleen is niet speciaal.

Ter wille van de duidelijkheid: het kan behulpzaam zijn het woord ‘afgescheiden’ te vervangen door ‘speciaal’. Waar ook maar afscheiding wordt waargenomen of verschillen, daar is speciaalheid. Het is het onvermijdelijke resultaat van het geloof in afscheiding. Wanneer de Cursus zegt “De Heilige Geest weet dat niemand speciaal is” (T15.V.5:1), bedoelt hij dat niemand afgescheiden is, wat ook betekent dat hij geen hulp van iets of iemand nodig heeft. Wanneer we ons volledig met de Heilige Geest in onze denkgeest identificeren, hebben we niet langer een speciale relatie met Hem, met Jezus of met de Cursus, want we zullen onszelf niet langer als afgescheiden ervaren. Maar tot dan ervaren we onszelf nog steeds als incompleet, en met de behoefte aan hulp om de Verzoening voor onszelf te aanvaarden, en we gaan speciale relaties met alles aan.

Nogmaals: “. . . want iedere relatie waaraan het ego zich waagt, is speciaal” (T15.VII.1.7). Alleen door dit te erkennen kunnen de speciale relaties een leslokaal worden dat de Heilige Geest gebruikt om ze om te vormen. Aanvankelijk wenden we ons tot de Cursus en tot Jezus uit een gevoel van nood. Dat maakt hen speciaal. Het is noodzakelijk dit te erkennen, zodat we onze relatie met hen, net als die met ieder ander, kunnen laten transformeren. Als we dit ontkennen, ontzeggen we onszelf de mogelijkheid te kijken naar de overtuigingen die ten grondslag liggen aan ons gevoel van nood en incompleetheid, en houden die zo weg van de kracht van genezing. Tenslotte zullen we leren dat we geen noden hebben. Bedenk vóór het zover is: “Deze cursus is een begin, niet een einde” (WdII.Nw.1:1). Jezus weet dat we tot hem komen met onze speciaalheid intact. Eigenlijk vertelt hij ons dat wij hem moeten vergeven: “Vergeef mij dan, vandaag. En je zult weten dat je mij vergeven hebt als jij je broeder in het licht van heiligheid aanschouwt. Hij kan niet minder heilig zijn dan ik, en jij kunt niet heiliger zijn dan hij” (WdII.288.2). Zolang we onszelf als verschillend van Jezus – afgescheiden van hem – waarnemen, brengen we speciaalheid naar onze relatie met hem, en dienen we hem onze foutieve overtuigingen te ‘vergeven’.