Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#378 Hoe kan ik ‘naar binnen’ kijken?

Ik heb een vraag over ‘kijken’. Ik zit in de knoop vanwege uitspraken in Een cursus in wonderen die in tegenspraak lijken met wat Ken zegt. De Cursus moedigt ons aan naar binnen te kijken en dan zullen we de onwerkelijkheid van zonde, schuld en angst zien. Ken zegt ons in contact te komen met het feit dat we niet naar binnen willen kijken en geen vergeving willen, en dat we de Heilige Geest moeten vragen ons te helpen om dit ongedaan te maken. Dat heb ik gedaan maar het kost me veel moeite om hierdoor vrede te vinden. Ik zit vast omdat ik niet weet hoe lang ik moet kijken. Hoe duidelijk moet ik kijken, hoe rechtstreeks moet ik kijken, enzovoort? In het begin van het Tekstboek worden we aangemoedigd de ontkenning van de waarheid te ontkennen, door eerst de verantwoordelijkheid te aanvaarden en dan snel de Heilige Geest om hulp te vragen. Verder in het Tekstboek wordt ons gevraagd duidelijk naar het ego en onze haat te kijken, ‘zelfs als dat je angst aanjaagt’. Uit T9.IV.4 begrijp ik dat deze passage betekent dat we volgens het plan van het ego een soortgelijk proces moeten doormaken door duidelijk naar de vergissing te kijken.

Antwoord: Eerst dit ter verduidelijking: ‘het ego-plan’ dat jij aanhaalt uit hoofdstuk 9 verwijst niet naar het zien van de vergissing in onszelf. Volgens het ego-plan moeten we de vergissing heel duidelijk in iemand anders zien, die dan ook ons oordeel en veroordeling verdient, en die we vervolgens proberen te vergeven – wat Het lied van het gebed “vergeving-ter-vernietiging” (L2.II) noemt. Dit is in feite het belangrijkste verdedigingsmiddel van het ego, dat bedoeld is om ons ervan te weerhouden naar binnen te kijken door onze aandacht te vestigen op de schuld in iemand anders. We zien zonde en schuld buiten onszelf in onze broeders en zien nooit in dat het niets anders is dan een projectie van ons onbewuste geloof in onze eigen zonde en schuld. Het ego zal ons nooit aanmoedigen om in onze denkgeest werkelijk naar onze zonde te kijken, want als we werkelijk kijken, zoals de Cursus dat zegt, zullen we inzien dat die zonde niet waar is. Maar de manier van kijken waarop de Cursus doelt, is niet de schuldige, angstige, heimelijke blik die het ego naar binnen werpt, dat ervan uitgaat dat schuld werkelijk is, en die werkelijkheid alleen maar probeert te bevestigen door er niet echt naar te kijken. In plaats daarvan is het een kalm en zachtmoedig beschouwen van de inhoud van onze denkgeest met Jezus of de Heilige Geest als onze Gids, want zij weten dat wat we als zwaar en weerzinwekkend zien niets meer is dan schaduwen die verdwijnen in het licht van ware vergeving.

Dit kijken naar binnen is echter ook niet alleen het opnieuw kijken naar ons verleden, en het inventariseren van alle zelfbeschuldigingen die we koesteren tegen onszelf; dit zelf dat we denken te zijn, met zijn geschiedenis van overtredingen en nalatigheden. Want deze ‘zonden’ en de schuld die ermee gepaard gaat, zijn net zozeer als onze projecties van beschuldiging en aanval tegen onze broeders, een dekmantel over de schuld die Jezus ons vraagt te onderzoeken, want ze leiden ons ook af van het kijken in onze denkgeest naar de werkelijke bron van schuld. Maar dat betekent niet dat het vereenzelvigen met en het ons bewust worden van onze oordelen tegen onszelf en anderen niet een ander doel kan dienen dan dat van het ego om schuld te versterken in plaats van hem los te laten.

We zijn bang om naar binnen te kijken omdat we zonder meer de bewering van het ego hebben aanvaard dat we “de woning [zijn] van slechtheid, duisternis en zonde.” (WdI.93.1:1) Maar zelfs dat is een verdedigingsmiddel, want op een dieper niveau is onze weerstand om naar binnen te kijken in werkelijkheid onze angst om onze individuele identiteit te verliezen. Je worsteling met naar binnen kijken is in werkelijkheid een poging van je ego tot zelfbehoud. Zolang je met het ego vereenzelvigd blijft, geloof je dat je eigen overleving op het spel staat. Toch is het niet het doel van de Cursus ons zelfgevoel weg te nemen, maar alleen ons te helpen de schuld ongedaan te maken die we ermee geassocieerd hebben. Helemaal aan het einde van het proces zullen we inzien dat het geen waarde heeft het onjuiste individuele zelf te redden en die keuze zullen we heel bereidwillig maken, wanneer we er klaar voor zijn.

Ondertussen wendt de Heilige Geest, heel knap, de argumenten van het ego aan om ons te helpen de schuld los te laten, en gebruikt wat het ego als verdedigingsmiddel tegen het naar binnen kijken heeft gemaakt nu als middel om bloot te leggen wat er in ons onbewuste ligt. Met andere woorden, de vergissing of zonde die we in onze broeder zien en die onze kwaadheid en ons oordeel wekt, of de mislukkingen waarvan we onszelf beschuldigen omdat we niet beantwoorden aan het een of andere ego-ideaal waarnaar we moeten handelen of denken, kunnen we een ander doel geven wanneer we beginnen te begrijpen waar ze hun oorsprong vinden. Geen ander oordeel is nodig of zelfs mogelijk zonder het oorspronkelijke oordeel van het ego over het zichzelf: dat we gezondigd hebben door te proberen ons van God af te scheiden en onze eigen afzonderlijke identiteit vast te stellen. Juist van het zelf dat we geloven te zijn wordt gezegd dat het een misdaad is, zo afschuwelijk, zo denken wij, dat die nooit vergeven kan worden en altijd om Gods wraak zal roepen. Dus alles waar we onszelf of iemand anders van beschuldigen is in vergelijking hiermee slechts een vage schaduw van die oerschuld. Toch is elke beschuldiging letterlijk een schaduw of projectie van die oorspronkelijke beschuldiging en, als we daartoe bereid zijn, kunnen we elke ego-reactie op alles wat buiten onze denkgeest lijkt te zijn als middel gebruiken om ons de ontologische schuld te herinneren die altijd onder de reactie schuil gaat. Als we bereid zijn onze projecties van alle lichamen – de onze en die van onze broeders – terug te nemen, blijven we zitten met een ervaring van de schuld die we in onze denkgeest verborgen hebben proberen te houden. En daar willen we met Jezus of de Heilige Geest naar kijken. Niet dat we ons de zogenaamde oorspronkelijke aanval op God zullen of moeten herinneren, maar die schuld, ontdaan van elke interpretatie die zijn oorsprong aan lichamen toekent, is de naakte schuld van het denksysteem van het ego. Het is een schuld die zegt: ik ben voor mezelf belangrijker dan iets of iemand anders, en ik haat alles wat en iedereen die me ervan weerhoudt het op mijn manier te doen. Buiten dit inzicht is er niets dat je hoeft te bekijken of te onderzoeken. Maar als we in staat zijn samen met Jezus naar die schuld van binnen te kijken, zullen we die gewoon niet serieus nemen. Want we zullen ons verbonden hebben met dat deel van de gespleten denkgeest dat weet dat die splitsing niet werkelijk is en dat liefde niet aangevallen of vernietigd kan worden. En in die herkenning zullen we de vrede ervaren die van niets buiten haarzelf afhankelijk is, want er is niets daarbuiten.