Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#339 Een vraag over de “lichtmomenten”en over reïncarnatie

Er zijn (onder vele andere) twee citaten in het Werkboek van Een cursus in wonderen die al een hele tijd een raadsel voor me zijn. Ik zou graag wat opheldering krijgen:

(1) “Je zult het gaan begrijpen als je lichtrandjes hebt gezien rond dezelfde vertrouwde voorwerpen die je nu ziet. Dat is het begin van ware visie. … In het verdere verloop zul je misschien veel ‘lichtmomenten’ beleven” (WdI.15.2:2-3; 3:1). Ik ben hier nu al zoveel jaar mee bezig, net als zoveel andere mensen die ik ken, en niemand van die mensen heeft zoiets al meegemaakt, hoewel ik wel een aantal wonderbaarlijke ervaringen heb gehad.
(2) “De tijd zal komen dat jij niet in dezelfde vorm terug zult keren als waarin je nu verschijnt, want je zult die niet meer nodig hebben” (WdI.157.7:3). Ik veronderstel dat dit wil zeggen: wanneer we het lichaam verlaten, maar in welke vorm komen we dan terug?

Antwoord: (1) Veel studenten hebben moeite met deze passage. Ze lijkt te suggereren dat het een teken van spirituele vooruitgang is, als je lichtrandjes zoals aura’s, rond voorwerpen ziet. Als dit letterlijk zo bedoeld was, zou het tegen al het andere indruisen wat de Cursus onderwijst. Zoals we weten, legt Jezus er de nadruk op dat alle waarneming onwerkelijk is. In het Tekstboek zegt hij dat hoe heilig visioenen ook zijn, ze zijn niet blijvend, omdat ze op waarneming gebaseerd zijn (T3.III.4:6). Licht is een symbool, niet iets van de waarneming. Als je licht buiten jou waarneemt, staat dat symbool voor het loslaten van een stuk van de duisternis in je denkgeest en het toelaten dat er meer licht doorkomt. Wanneer de Cursus over het licht in ons spreekt, spreekt hij niet over een elektrische lamp, een aura, of iets dat we daadwerkelijk waarnemen. Licht wordt in de spiritualiteit traditioneel als symbool gebruikt om God, het leven, de waarheid, enzovoort aan te duiden. Een cursus in wonderen maakt dus gebruik van dezelfde beeldspraak. De duisternis verwijst naar de duisternis van schuld en het afgescheiden zijn van God; het licht verwijst naar het ongedaan maken van dat alles, samen met het voelen van Gods Aanwezigheid en Zijn liefde.

Deze passage had oorspronkelijk niets met de Cursus zelf te maken. Helen Schucmann en Bill Thetford hadden een goede vriend die in het Medisch Centrum met hen samenwerkte – hij was de enige persoon met wie ze de Cursus vanaf het eerste begin deelden. Af en toe werd hij midden in de nacht wakker en voelde en zag overal licht om hem heen. Hij vond deze voorvallen angstaanjagend. Jezus gebruikte deze manier dus om hem te zeggen dat alles in orde was als hij die lichtmomenten beleefde. (Zie ‘Een leven geen geluk’, blz. 336). Daarom komt deze passage erin voor. Kenneth heeft het gevoel gehad dat er hierover een voetnoot of wat uitleg had moeten zijn. Het moet in ieder geval niet zo opgevat worden, dat als je het licht niet ziet, je een spirituele mislukkeling bent. Je kunt het in plaats daarvan zo opvatten dat wanneer je meer vergeeft, er meer ‘licht’ in je denkgeest zal zijn, en dit licht daardoor zal worden uitgebreid. Dan zul je de wereld als een ‘verlichte’ plaats zien, in die zin dat de schuldenlast er niet langer op rust. Sommige mensen zien daadwerkelijk een licht, met hun fysieke zintuigen. Maar dat moet alleen als symbool worden begrepen – een van de talrijke symbolen – van het genezingsproces in onze denkgeest.

(2) Op dezelfde wijze was de passage in Les 157 oorspronkelijk voor Helen Schucmann zelf bedoeld. Kenneth maakt de volgende opmerking in 'Een leven geen geluk' (blz. 476): “Bij een aantal gelegenheden heeft Helen mij verteld dat Jezus tegen haar heeft gezegd: ‘Wanneer je de volgende keer komt, zul je anders zijn’, wat doet denken aan de regels in les 157…. Dit was overigens een van Helens lievelingslessen. Hoewel het onderwerp reïncarnatie haar gewoonlijk een gevoel van sterk onbehagen bezorgde, begreep ze deze zinnen zo dat ze de volgende keer als ze zou ‘komen’ – haar volgende leven – egovrij zou zijn, zoals de priesteres in haar vroegere visioen”.

Uit deze passage kan dus begrepen worden dat wanneer het doel van vergeving vervuld is, we het lichaam niet langer als klaslokaal nodig hebben. Als we de werkelijke wereld binnentreden, zullen we ons herinnerd hebben wie wij als de ene Zoon van God zijn. Wanneer we dan een volgende keer weer in een lichaam verschijnen, zullen we vanzelfsprekend anders zijn, omdat de gedachte in onze denkgeest anders zal zijn. Het lichaam zal niet meer ons klaslokaal zijn, maar alleen een middel waardoor de Heilige Geest Zijn boodschap van genezing en vergeving kan communiceren. Jezus spreekt van “de Leraren der Leraren” aldus: “…want ook al zijn ze niet langer zichtbaar, op hun beeld kan nog altijd een beroep worden gedaan. En ze zullen verschijnen waar en wanneer het behulpzaam is” (H26.2:2-3).