Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#321 Hoe kon God iets scheppen dat op zijn beurt kon scheppen?

Hoe kan een wezen een ander wezen scheppen met het vermogen tot scheppen als dat oorspronkelijke wezen zelf niet geschapen werd?

Antwoord: Als menselijke wezens kunnen we de schepping niet begrijpen, omdat ze niets te maken heeft met de wereld van afscheiding en van personen, en in die wereld ook geen tegenhanger heeft. Alleen in de Godheid heeft ze betekenis, en die breidt zich juist door haar aard eeuwig in scheppingen uit. Ons menselijk bevattingsvermogen werd met opzet tot stand gebracht om de waarheid van Gods Koninkrijk te vervangen en de werkelijkheid voor eeuwig uit ons bewustzijn te houden. Daarom kan onze ongenezen denkgeest niet begrijpen wat we opzettelijk afgesloten hebben. Jezus zegt hier in het begin van Les 192 het volgende over: “Het is je Vaders heilige Wil dat jij Hemzelf compleet maakt, en dat jouw Zelf Zijn heilige Zoon is, voor eeuwig zuiver zoals Hij, uit liefde geschapen en in liefde bewaard, liefde uitbreidend, scheppend in haar naam, voor eeuwig één met God en met jouw Zelf. Maar wat kan zo’n functie betekenen in een wereld vol afgunst, haat en aanval? Daarom heb je een functie in de wereld in haar eigen termen. Want wie kan een taal begrijpen die zijn eenvoudig begrip verre te boven gaat? … Van de schepping valt in deze wereld zelfs geen voorstelling te maken. Ze heeft hier geen betekenis. Vergeving is hetgeen waarmee ze nog het dichtst bij de aarde komen kan” (WdI.192.1; 2:1-3; 3:1-3).

Jezus geeft maar een korte beschrijving van de schepping, omdat hij weet dat ze in de toestand waarin we nu verkeren, praktisch geen betekenis heeft. Ook eerder in het Werkboek krijgen we een glimp van de aard van de schepping: “Waarachtig geven is scheppen. Het breidt het grenzeloze uit tot het onbegrensde, eeuwigheid tot tijdloosheid, en liefde tot zichzelf. Het voegt nog toe aan alles wat al compleet is, niet in de eenvoudige zin van méér toevoegen, want dat houdt in dat het voordien minder was. Het voegt toe door dat wat overvloeien wil zijn doel te laten vervullen, namelijk om al wat het heeft weg te geven, en het zo voor altijd veilig te stellen voor zichzelf” (WdI.105.4:2-5). Deze beschrijvingen wijzen ons op een werkelijkheid die in deze wereld geen tegenhanger kent. Schepping is uitbreiding, maar het is totaal niet ruimtelijk, niet lineair en niet kwantitatief.

Het dilemma waar jij uitdrukking aan geeft, is door de eeuwen heen natuurlijk al het onderwerp geweest van menige filosofische/theologische verhandeling. Interessant is dat sommige middeleeuwse denkers in de Franciscaner traditie van de ‘zelfverspreiding van liefde’ spraken. Liefde is geen liefde als ze zichzelf niet uitbreidt. En volgens de traditie van Thomas van Aquino is de redenering dat er minstens één onafhankelijk wezen moet bestaan, anders zou er niets bestaan. Dat onafhankelijke wezen moet oneindig zijn (zonder beperking), en kan zijn wezen dan ook op elke manier uitbreiden. We kunnen met dit soort speculaties echter niet verder komen, omdat ons beperkt perspectief ons er altijd toe aanzet om wat we ons ook voorstellen, te vermenselijken.

Het kan nuttig zijn de Inleiding tot de Verklaring van termen te lezen, die gaat over de terminologie van Een cursus in wonderen en waar hij zich exclusief mee bezig houdt.