Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#219: Hoe ziet de Cursus ‘bezetenheid’ en ‘stigmata’?

Hoe ziet de Cursus kwesties als bezetenheid door de duivel die door sommige religieuze organisaties als werkelijk wordt beschouwd? Is de Cursus werkelijk van mening dat de duivel niet bestaat? Is de Cursus van mening dat er geen strijd is tussen Goed en Kwaad? En als ik het me goed herinner, wordt er ergens in de Cursus gezegd dat niet wij genezen, maar dat God dat doet. Hoe verklaart de Cursus dan gebedsgenezers? Ik bedoel daarmee de authentieke gevallen die door de katholieke kerk erkend worden, alsook gevallen waarbij personen die de stigmata dragen betrokken zijn. Als de kruisiging niet belangrijk is, waarom zouden deze mensen dan de wonden van de kruisiging dragen?

Antwoord: Een van de fundamentele verschillen tussen de christelijke theologie en Een cursus in wonderen is dat de Cursus leert dat zonde niet werkelijk is. Het gehele geloofssysteem van het christendom is geworteld in de overtuiging dat zonde wel werkelijk is; het is synoniem met het kwaad. Deze leringen zijn daarom die onverenigbaar, en de overtuigingen en praktijken die daaruit voortvloeien, sluiten elkaar eveneens uit. In het christendom wordt aan het idee van zonde in verschillende vormen uitdrukking gegeven; een daarvan is bezetenheid door de duivel. In de christelijke gedachte, vertegenwoordigen zowel zonde en kwaad een wil die tegengesteld is aan die van God. Dit is de aard van de zonde. De Cursus leert daarentegen, dat er geen zonde is, en dat verzet tegen Gods Wil onmogelijk is. “…dat zonde niet werkelijk is en dat alles waarvan jij gelooft dat het wel uit zonde [bv. bezetenheid door de duivel] moet voortvloeien, nooit zal gebeuren, omdat het geen oorzaak heeft. Aanvaard de Verzoening met een open denkgeest, die nergens de sluimerende overtuiging koestert dat jij van Gods Zoon een duivel hebt gemaakt. Er is geen zonde” (WdI.101.5:2-4). “Wat tegengesteld is aan God bestaat niet…” (WdI.137.11:3).

Het is duidelijk dat wat niet bestaat ook geen strijd kan leveren met wat werkelijk is. Volgens de Cursus is alleen God werkelijk. Wat in de wereld strijd lijkt te leveren, is het door het ego verzonnen idee van wat ‘goed’ is, dat in conflict is met het door het ego verzonnen idee van wat ‘slecht’ is. Dat is het slagveld dat de thuisbasis vormt van het denksysteem van het ego, maar de Cursus zegt ons dat dit niet werkelijk is. Samengevat leert de Cursus hierover dat: zonde niet werkelijk is, en er dus geen duivel kan zijn die de zonde uitbeeldt; het kwaad bestaat niet, en dus kan er geen strijd zijn tussen goed en kwaad.

Voor iemand die het christelijk geloof aanhangt, zijn de kruisiging en de wonden van de gekruisigde Jezus heel werkelijk. Geïnspireerd door de toewijding aan deze overtuigingen, kan iemand die een diep verlangen koestert om het lijden van de kruisiging te delen om zich zo met de historische Jezus te vereenzelvigen, de fysieke manifestaties ervaren van de wonden van de kruisiging, die stigmata worden genoemd. Maar zelfs de katholieke kerk erkent dat deze fysieke tekenen veroorzaakt kunnen worden door een diep gevoelde psychologische toestand, en niet door goddelijke tussenkomst. Dit is noch een ontkenning, noch een bewijs van iemands toewijding. De stigmata zijn ervaren door mensen die psychologisch onevenwichtig waren, maar ook door anderen, zoals St. Franciscus van Assisi, van wie geloofd wordt dat ze heiligen zijn. Zoals met alles, brengt de Cursus onze aandacht naar de inhoud, nooit naar de vorm. Alle vormen, met inbegrip van stigmata, kunnen het resultaat zijn van de keuze van het ego om zich af te scheiden, ofwel de keuze om je in de denkgeest te verbinden met de Heilige Geest, die in de droom een afspiegeling is van Gods liefde. De Cursus zegt niet dat de kruisiging niet belangrijk was; hij geeft er een nieuwe interpretatie aan: “De boodschap die de kruisiging wilde uitdragen was dat het onnodig is in vervolging enige vorm van geweld te bespeuren, omdat je niet kunt worden vervolgd” (T6.I.4:6). Het christendom onderwijst dat Gods onschuldige Zoon, Jezus, stierf als zoenoffer voor de zonden van de mensheid, en op die manier de Hemelpoorten weer heeft geopend, die gesloten werden toen Adam en Eva de erfzonde begingen. De Cursus onderwijst dat de Hemelpoorten nooit gesloten zijn geweest, en dat er geen zonde is. Gods ene Zoon bestaat uit het gehele Zoonschap, met inbegrip van Jezus (dus niet uitsluitend uit Jezus). Deze ene Zoon kan niet gekwetst worden, kan niet lijden en kan niet sterven. Dit alles is waar volgens de Cursus, omdat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden, en de wereld en het lichaam niet werkelijk zijn. De gebeurtenissen die in het leven van de historische Jezus hebben plaatsgevonden, zijn geïnterpreteerd door degenen die de Evangeliën hebben geschreven, en door de leiders van kerkelijke instellingen in overeenstemming het hun geloofssysteem. Wij, die ons met ons lichaam vereenzelvigen en in lijden en de dood geloven, brengen deze overtuigingen over op onze zienswijze van de kruisiging van Jezus. We gaan ervan uit dat wat voor ons waar zou zijn als wij gekruisigd werden, ook voor hem waar was – dat hij zich verraden en slachtoffer voelde, een doodsstrijd leverde en stierf. Aangezien Jezus zich niet met het lichaam vereenzelvigde en zijn ware identiteit als Gods Zoon kende, was dit niet wat hij aan het kruis heeft ervaren.

De Cursus leert dat ware genezing van de denkgeest en alleen van de denkgeest afkomstig is. Ze wordt tot stand gebracht door vergeving en leidt tot het ongedaan maken van het geloof in de afscheiding. Deze genezing zal vrede tot gevolg hebben en kan in de vorm al dan niet gemanifesteerd worden. Als ware genezing van deze aard tot stand komt, is wat er in de vorm gebeurt, niet van belang. De denkgeest die ervoor kiest in de afscheiding en de werkelijkheid van het lichaam te geloven, kan er ook voor kiezen om het lichaam ziek te maken. De Cursus leert ons dat een andere keuze mogelijk is: de denkgeest kan tegen ziekte kiezen. Wanneer een persoon bij een gebedsgenezer hulp zoekt voor genezing en het lichaam wordt genezen, komt dat doordat er in de denkgeest een keuze voor genezing werd gemaakt. Die persoon verbindt zich dan met de gebedsgenezer met het gemeenschappelijke doel om te genezen. Dit is waar. Zelfs wanneer er geen fysiek contact is (H5.II.2, 3, 4; III.1, 2). Wanneer genezing optreedt, is de enige verklaring daarvoor de keuze in de denkgeest van de persoon zelf. De uiteindelijke genezing is het ontwaken uit de droom van de afscheiding, dat bereikt wordt door het ongedaan maken van ons geloof in de afscheiding. Er gebeurt werkelijk niets, behalve dat we dan niet langer slapen en onszelf kennen in onze ware Identiteit als Gods ene Zoon. Daarnaar wordt verwezen als de Cursus zegt: “Genezing komt niet rechtstreeks van God, die Zijn scheppingen als volmaakt heel kent. Toch is genezing nog steeds iets van God, omdat ze uit Zijn Stem en uit Zijn wetten voortvloeit” (T7.IV.1:4-5). Wat uit Zijn Stem en uit Zijn wetten voortvloeit, is de waarheid omtrent wie wij zijn. Het is genezing in die zin dat de denkgeest niet langer ziek of krankzinnig wordt gemaakt door de gedachte van afscheiding.