Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#396 Is het verkeerd als ik iedereen over de Cursus wil vertellen?

Ik begrijp dat anderen aanvallen een projectie is van de schuld in mijzelf. Maar wat is de onderliggende reden dat ik zo obsessief anderen wil helpen, in die zin dat ik hen over het gedachtengoed van Een cursus in wonderen wil vertellen. Ik weet dat het hun hele leven kan veranderen, zoals bij mij gebeurde.

Antwoord: Deze neiging komt maar al te vaak voor, maar is begrijpelijk, gegeven het feit dat zo velen van ons voelen dat de Cursus ons op de een of andere manier 'gered' heeft. Maar er moet een alarmbel gaan rinkelen telkens wanneer we een obsessieve behoefte voelen om de Cursus in het leven van iemand anders te introduceren, of hem te verspreiden in onze verwarde, gebrekkige wereld. Als zo'n behoefte opkomt, zijn de volgende overwegingen zinvol:

(1) Telkens wanneer we een behoefte voelen anderen te helpen, dan identificeren we ons met het ego. De Heilige Geest kan beslist door jou heen anderen helpen, maar in dat geval ervaar je jezelf niet als degene die helpt, en je investeert absoluut niet in het resultaat. Dat bedoelt Jezus als hij zegt dat de uitbreiding van heiligheid en het wonder niet aan ons is (T16.II.1; T27.V.1).

(2) Diep verankerd in onze ongenezen denkgeest ligt het geloof dat we wedijveren met God, en daarom is er altijd behoefte om te bewijzen dat we het minstens zo goed doen als Hij, zo niet beter. Bijgevolg zijn we geneigd te denken dat wij weten wat het beste is, voor onszelf en voor anderen. En dus dringen we, gewapend met Een cursus in wonderen, het leven van anderen binnen, ervan overtuigd te weten wat hen zal helpen, en er eveneens van overtuigd dat onze motieven zuiver en heilig zijn. Op de een of andere manier hebben we de eerste 25 lessen van het Werkboek uit het oog verloren, want die helpen ons om zulke verkeerde en vermoeiende denkbeelden ongedaan te maken. Ons onvermogen om te weten wat het beste is wordt nader besproken in het Handboek, in het hoofdstuk "Hoe wordt oordelen opgegeven?" (H10.3,4).

(3) Ook diep verankerd in onze denkgeest ligt de wanhopige behoefte om onze overtuiging te bevestigen dat afscheiding en dualiteit werkelijk zijn, in die zin dat er inderdaad een wereld is die verlost moet worden. Een heel effectieve manier om het geloof in afscheiding te versterken is mensen als zwak, misdeeld, kwetsbaar, hulpeloos, en als slachtoffer te zien, die voor hulp afhankelijk zijn van een bron van buitenaf. Als je denkt dat jij precies datgene hebt wat zij nodig hebben, dan zie je jezelf als afgescheiden, want jij hebt iets wat zij niet hebben. En daar vlak achter bevindt zich de gedachte dat iemand of iets verantwoordelijk is voor de narigheid van deze arme onschuldige mensen: schuld, het favoriete middel van het ego om conflict in stand te houden en vrede te verbannen.

(4) Als je inziet dat jij en anderen die het moeilijk lijken te hebben, dezelfde ego-overtuigingen delen, evenals dezelfde juiste gerichtheid van denken, dan zou je niet zo haastig oplossingen voor hun problemen aandragen. Want als goed Cursusstudent weet je dat jouw enige verantwoordelijkheid is het aanvaarden van de Verzoening voor jezelf (T2.V.5:1). En dat doe je als je jouw belangen niet ziet als gescheiden van die van hen. Als je je er toch mee bemoeit, dan ben je bang voor de implicaties die het ongedaan maken van de afscheiding met zich meebreng en bevind je je in je onjuiste gerichtheid van denken. Daardoor zie je vanzelf gescheiden belangen. Wanneer je je in de juiste gerichtheid van denken bevindt, dan verbind je je met de kracht van Christus in hen, en respecteer je de macht van hun denkgeest om te beslissen of ze naar het ego of naar de Heilige Geest luisteren. Op die manier versterk je in jezelf de macht van je eigen denkgeest. In dat heilig ogenblik word je geleid om iets, of juist niets te doen; maar dat komt niet van jou als individueel zelf dat andere individuele zelven waarneemt.