Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#393 Hoe kan ik mijn lichamelijke aandoening genezen door gebruik te maken van de principes van de Cursus?

Ik heb een ernstige lichamelijke aandoening, waardoor het bloed in mijn benen niet naar behoren naar mijn hart stroomt. Volgens de artsen zal dit steeds erger worden. Een cursus in wonderen zegt dat mijn angst, schuld en aanval de oorzaak zijn van het probleem. Ik moet mijn benen (denkgeest) snel genezen, want als ze slechter worden neemt mijn angst toe, en wordt zo intens als ik nog niet eerder in mijn leven ervaren heb. Wanneer mijn angst toeneemt, gaat het nog slechter met mijn benen. Ik moet deze vicieuze cirkel snel doorbreken, of het zal zeker in de dood eindigen. Hoe kan ik, als ik sterf of gek word, de principes van de Cursus leren, genezen worden en vrede vinden?

“Deze wereld is een poging jouw onschuld te bewijzen, terwijl ze intussen de aanval koestert. Haar mislukking bestaat hierin dat jij je nog steeds schuldig voelt, hoewel je niet begrijpt waarom”. (T26.VII.12:5,6) Ik ben me er niet eens van bewust me schuldig te voelen. Is het belangrijk voor me om te begrijpen waarom ik me schuldig voel? Als dat zo is, hoe kan ik tot dat begrip komen, zodat mijn denkgeest en lichaam genezen zullen worden? Of is dit allemaal niet nodig? Kan ik gewoon alles aan de Heilige Geest geven en Hem toestaan mijn denkgeest en mijn lichaam te genezen? Als dit het geval is, hoe kan ik dit dan doen? Ik heb talloze keren geprobeerd Hem het ‘beetje bereidwilligheid’ te geven waar Hij om vraagt, maar mijn benen worden toch steeds slechter. Eén keer was ik heel even in staat om mezelf niet als een lichaam te zien. Een geweldig gevoel leek over mijn benen te komen. Ze leken ongeveer twee uur lang genezen te zijn (of tenminste vrij van pijn). Was dit een heilig ogenblik? Of was dit alleen een illusie van mij?

“Het wonder is mogelijk wanneer oorzaak en uitwerking bijeen worden gebracht, en niet gescheiden worden gehouden. Een gevolg genezen zonder de oorzaak kan de gevolgen alleen maar doen verschuiven naar andere vormen. En dat is geen bevrijding.” (T26.VII.14:1-3). Betekent dit dat ik me eerst bewust moet zijn van de oorzaak, voordat ik deze kan samenbrengen met de uitwerking? Ik mediteer hier diepgaand op, maar ben niet in staat om de oorzaak te vinden, zodanig dat mijn denkgeest en lichaam genezen zullen worden. Of is dit allemaal de rol van de Heilige Geest? Als dit zo is, lijken mijn inspanningen om Hem het beetje bereidwilligheid te geven waar Hij om vraagt zonder succes te zijn geweest. Hoe ga ik vooruit? Iets anders waar ik heel bezorgd over ben is dat het me niet lukt mijn angst voor mijn vrouw te verbergen. Hierdoor wordt zij ook bang, en zij begint nu zelf ook allerlei lichamelijke symptomen te ervaren. Hoe kan ik voorkomen dat deze angst zich verder verspreidt in onze ‘wereld van illusies’?

Antwoord: Op de eerste plaats is het goed er zeker van te zijn dat je medisch gezien alles doet wat mogelijk is voor je lichamelijke toestand. Ben je tevreden over alle medische adviezen die je gekregen hebt? En ben je ervan overtuigd dat er geen andere medische interventies zijn, traditioneel of alternatief, die ervoor kunnen zorgen dat je toestand niet verder verslechtert, of weer vooruit gaat? Er is niets in de Cursus wat het zoeken naar een oplossing in de wereld uitsluit, als dat je kan helpen je angst te verminderen (T2.IV.4:5-7). Bovendien kun je overwegen om samen met je vrouw counseling of therapie te zoeken, om jullie beiden te helpen om te gaan met de angsten over jouw aandoening.

Het is niet het doel van de Cursus om ons te helpen iets te veranderen in de uiterlijke wereld of in ons lichaam, hoewel het beoefenen van zijn principes kunnen leiden tot uiterlijke veranderingen. Zou je tevreden kunnen zijn met een uitkomst die inhoudt dat je in vrede bent, ongeacht wat er lijkt te gebeuren met je benen en je lichaam? Dat is de uitnodiging die Jezus naar ons allen uitbreidt door middel van de Cursus. Misschien is het niet wat we denken te willen, want we zijn nog steeds gericht op de wereld van vorm, en geloven dat onze vrede afhangt van controle houden over condities en situaties die ons pijn en angst lijken te bezorgen. Jezus kijkt anders naar onze omstandigheden, en wanneer we ons in de denkgeest met hem verbinden zullen we uiteindelijk in staat zijn om de dingen te zien zoals hij ze ziet.

Wij delen allen dezelfde onderliggende schuld, die de oorzaak is van al onze symptomen en al onze angsten. Dat is geen specifieke schuld over een specifieke handeling of het nalaten van een handeling in dit leven, maar eerder een zelfbeschuldiging die raakt aan de kern van ons wezen: dat we bestaan als afgescheiden individuen, omdat we ons leven en onze onafhankelijkheid van God hebben afgepakt, in een kwaadaardige, dodelijke aanval op Hem. Zeer weinigen zijn in contact met de schuld over dit dwaze idee. De Cursus verzekert ons dat het niet meer is dan een illusoir zelfbedrog om de afscheiding in onze denkgeest werkelijk te blijven maken. Toch is dit wat we onbewust geloven en voortdurend kiezen te geloven.

In feite is het zo dat wij de wereld en ons lichaam met al zijn schijnbare problemen gemaakt hebben om deze schuld in onze denkgeest begraven te houden. Dus nu lijkt het alsof ons dingen overkomen waarover wij geen controle hebben. We zien niet meer dat al onze pijn afkomstig is van een keuze, namelijk om onszelf als afgescheiden te zien van de Liefde die onze Bron is. Kwalen in ons lichaam lijken de oorzaak te zijn van onze pijn en angst. Alles lijkt heel serieus voor ons, omdat het een symbool is van wat we onbewust geloven dat God ons nu gaat aandoen vanwege onze aanval op Hem. We denken dat Hij ons straft door ons eerst te laten lijden en vervolgens het leven terug te pakken dat wij van Hem gestolen hebben, en intussen laat Hij ons geen been om op te staan.

De werkelijke oorzaak - de schuld vanwege de afscheiding - zou voor altijd in onze denkgeest verborgen blijven als we niet de hulp van de Heilige Geest hadden. Het is niet zo dat we Hem eenvoudig onze pijn en angst geven en Hij die dan wegneemt. Want dat zou de macht ondermijnen van onze denkgeest - die om te beginnen de pijn en schuld gekozen heeft - om een andere keuze te maken: voor vrede, als we ons eenmaal herinneren dat de keuze aan ons is (T2.VII.1). De Heilige Geest kaatst de bal van het ego terug. Want hij onderwijst ons om juist datgene wat we gemaakt hebben als dekmantel voor onze schuld (de lichamelijke symptomen) te gebruiken als een middel om die schuld indirect te herkennen. Met de hulp van Jezus of de Heilige Geest kunnen we beginnen de waarheid in twijfel te trekken van onze onderliggende overtuiging over onszelf: dat we het verdienen om te lijden vanwege onze zondigheid. Als we eenmaal erkennen dat we naar de interpretatie van het ego hebben geluisterd, kan onze relatie met Jezus of de Heilige Geest zich langzamerhand ontwikkelen, en kunnen we oefenen ons tot hen te wenden voor hun interpretatie van onze situatie. En dan zullen we merken dat we onszelf steeds vaker toestaan de liefde te ervaren die altijd al in ons aanwezig was, maar die bedekt was door de schuld en de angst.

Bezorgdheid over het lichaam zal dan ook beginnen af te nemen. Symptomen kunnen wel of niet veranderen, maar in die momenten dat we verbonden zijn met Jezus' liefde, zullen de lichamelijke symptomen er niet toe doen. Je zegt dat je geen pijn in je benen voelde toen je openstond voor het idee dat je niet een lichaam bent. Het is zeker mogelijk dat je jezelf toen toestond je met Jezus' liefde te verbinden en een heilig ogenblik te ervaren. Die ervaring is behulpzaam omdat zij demonstreert dat niets hoeft te veranderen behalve de overtuigingen in je denkgeest. Pijn keert terug wanneer we bang worden voor liefde, maar als we leren dat het geen zonde is om bang te zijn voor de liefde, kunnen we inzien dat we onszelf niet hoeven te straffen omdat we opnieuw geloven dat we ons van liefde afgescheiden hebben.

Nu zal de verleiding groot zijn om de toestand van je benen als maatstaf te nemen voor je succes of falen in het toepassen van de principes van de Cursus - vergeving en je verbinden met Jezus. Maar dit is gewoon een valkuil van het ego om je aandacht opnieuw op de wereld van vorm te richten, in plaats van op de keuze voor vrede in je denkgeest. Het ervaren van vrede is het enige criterium om te gebruiken (T14.XI).

Nog een paar aanvullende punten: Wees ervan verzekerd dat de dood van het lichaam geen gevolg heeft voor het leren van de Cursus. Alleen wanneer we ons nog met het lichaam identificeren lijkt de dood een beperkende factor te zijn. Het is de denkgeest die de lessen van de Heilige Geest leert, en deze is niet afhankelijk van het bestaan van het lichaam om deze lessen vast te houden. In werkelijkheid is het lichaam in de denkgeest en niet andersom, ook al houden we onszelf voor de gek door te geloven dat de denkgeest in het lichaam is. Door vergeving toe te passen zal dat je uiteindelijk steeds duidelijker worden.

Het citaat over het wonder waar je over vraagt betekent dat we onze aandacht beter op de oorzaak kunnen richten (de schuld in de denkgeest) dan op de uitwerking ervan (het symptoom in het lichaam). Wanneer ons doel alleen het genezen van het lichamelijke symptoom is, in plaats van het werkelijke probleem in de denkgeest, dan vinden we misschien een manier om het lichamelijke symptoom uit te schakelen. Maar dat symptoom zal eenvoudigweg vervangen worden door een ander symptoom, als we niets hebben gedaan aan het genezen van de schuld over de afscheiding binnen de denkgeest. En zoals Jezus opmerkt iets verderop in het Tekstboek: “Het wonder is nutteloos als je alleen maar leert dat het lichaam kan worden genezen, want dat is niet de les ter onderwijzing waarvan het gezonden werd. De les is: de denkgeest was ziek die dacht dat het lichaam ziek kon zijn; het naar buiten projecteren van zijn schuld veroorzaakte niets en had geen gevolgen” (T28.II.11:6,7). Nu is dit niet bedoeld om ons schuldig te laten voelen als we evengoed willen dat het lichaam genezen wordt - een natuurlijk verlangen zolang we er zo mee vereenzelvigd blijven - maar alleen om ons eraan te herinneren dat veel méér het onze is dan dat waar we om vragen (T15.III.1,2).