Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#392 Hoe vermijd ik angst en ego-aanvallen wanneer ik het Werkboek probeer te doen?

Het lezen van de volgende passage in de tekst van Een cursus in wonderen riep een vraag bij me op waar ik al een tijdje mee rondloop: "Vrees niet dat je opeens zult worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd. De tijd is mild, en als je hem ten behoeve van de werkelijkheid benut zal hij bij jouw overgang zachtjes gelijke tred met je houden. De dringende noodzaak bestaat alleen hierin dat jij je denkgeest loswrikt uit zijn verstarde positie hier. Je zult hierdoor niet ontheemd of zonder referentiekader raken. De periode van desoriëntatie, die aan de eigenlijke overgang voorafgaat, is vele malen korter dan de tijd die het vergde om je denkgeest zo stevig op illusies te fixeren"(T16.VI.8:1-5).

Zo’n drie jaar geleden deed ik mijn favoriete werkboeklessen, en kwam in een gemoedstoestand die sterk verschilde van mijn 'normale' functioneren in de wereld. Ik voelde mijzelf één met alles en iedereen, en was me ervan bewust dat er maar één denkgeest is. Dit duurde een tijdje. Maar het werd gevolgd door een periode waarin de meest intense en venijnige ego-aanvallen optraden, en ik voelde dat ik er helemaal geen controle over had. Het leek alsof ik niet kon voorkomen dat mijn ego mij op allerlei manieren kwetste. Ik werd ziek en kreeg financiële problemen Ik ervoer een innerlijke staat van hevige verwarring, viel anderen aan en voelde me aangetrokken tot de dood enzovoort. Nu doe ik het Werkboek opnieuw. Hoe weet ik of ik mild ben voor mezelf? En hoe probeer ik oprecht te doen wat Jezus vraagt in het Werkboek, zonder terughoudendheid? Ik had eerder ervaren dat het doen van elke willekeurige les me thuis kon brengen, als ik hem van ganser harte deed. Zolang de denkgeest gespleten is, hoe weet ik dan of mijn hoofd ver genoeg boven water is om de onvermijdelijke terugkeer van angst te weerstaan?

Antwoord: De ‘vergelding van het ego’ is in werkelijkheid de uitbarsting van het deel van je eigen denkgeest, dat zijn onafhankelijkheid niet wil opgeven. Want dat zou gebeurd zijn als je je met eenheid was blijven identificeren. Als je opeens, in een flits, zonder enig voorbehoud eenheid kon aanvaarden, dan is de kans groot dat je sowieso niet hier in de wereld zou zijn. Dus je moet respect hebben voor de intensiteit van je angst voor eenheid, maar je moet ook dankbaar zijn voor je bereidheid terug te keren naar de zuivere eenheid van de Liefde. Het is een kwestie van geduldig zijn met jezelf, en vertrouwen op het proces dat in gang gezet is. Het is een geleidelijk proces waarin je groeit naar wat een nieuwe identiteit lijkt. Maar in werkelijkheid is dit het opnieuw aanvaarden van je natuurlijke staat en je hebt gezworen dat nooit te zullen doen (T19.IV.D.6). De kracht van onze weerstand en angst overrompelt ons meestal. Een van de meest gestelde vragen is hoe je kunt weten of je hoofd ver genoeg boven water is om de onvermijdelijke terugkeer van angst te weerstaan. Je kunt dat niet echt weten, maar als je je daar te veel mee bezig houdt, dan houdt dit je af van je vergevingswerk nu, op dit moment.

Er is een manier om je angst onder ogen te zien en te respecteren, zonder hem macht over je te geven of hem te ontkennen. Er moet een gevoel van evenwicht ontstaan tussen deze twee uitersten. Je moet jezelf nooit forceren om de lessen te doen of het Tekstboek te bestuderen. Elke behoefte die je voelt om de lessen volmaakt en zo snel mogelijk te doen komt altijd van het ego, want tijd betekent niets voor Jezus. Hij legt de nadruk op geduld en zachtmoedigheid, niet op volmaaktheid. Bereidheid betekent geen meesterschap zegt hij (T2.VII.7:8-9), en als je te serieus met de lessen omgaat maak je de vergissing juist werkelijk. Per slot maken we iets ongedaan dat nooit heeft plaatsgevonden, en "de uitkomst is zo zeker als God" (T2.III.3:10).

De beoefening van vergeving zal je angst en disoriëntatie geleidelijk verminderen. Hoe meer je oefent om jouw belangen niet gescheiden te zien van die van iemand anders – en je daar prettig bij voelt – hoe meer je het onderliggende geloof in afscheiding ongedaan maakt. Dat geloof is de bron van alle angst. Jezus weet heel goed wat dit proces met zich mee brengt, en in zijn onderricht stelt hij ons menigmaal gerust, net zoals in de passage die je aanhaalt.