Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#363 Ontkent de metafysica van de Cursus karma?

Ik zie enkele diepgaande overeenkomsten tussen Een cursus in wonderen en de filosofie van Advaita Vedanta. Beide verklaren dat deze wereld (het stoffelijke universum) een illusie is, of ‘maya’ in het Hindi . Er ligt in de Vedantafilosofie echter een sterke nadruk op karma (handeling), dat het Westerse equivalent voor zonde zou zijn als het karma ‘negatief’ is. Met andere woorden: we oogsten wat we zaaien. Ik heb me vele jaren thuis gevoeld bij deze leer, omdat ze mij logisch voorkwam… tot aan de Cursus. Nu lijkt het erop dat volgens de metafysica van de Cursus zelfs het geloof in karma een illusie is. Moet ik werkelijk alles ontkennen met betrekking tot onze tijdelijke ervaring? Hoe intellectueel bevredigend de Cursus in het abstracte ook is, in het dagelijkse leven heb ik het er moeilijk mee. Weet je een oplossing?

Antwoord: Het verlangen in karma te geloven, in het bijzonder in slecht of negatief karma, is het verlangen om zonde tot werkelijkheid te maken. We maken met name de zonden van anderen werkelijk, van wie we nog steeds geloven dat ze voor hun zondigheid rekenschap moeten afleggen, ook al gaat het om niets meer dan een onpersoonlijk universum dat zijn ‘onpartijdige rechtvaardigheid’ toepast voor overtredingen en schendingen van zijn natuurlijke wetten – de ogenschijnlijk onvermijdelijke en onontkoombare gevolgen van haat en aanval. Dit is altijd de egoversie van rechtvaardigheid, omdat zonde een prijs heeft die betaald moet worden, en de weegschaal van rechtvaardigheid – van vrouwe justitia - altijd in balans moet blijven tussen goed en kwaad. Dat is duidelijk een dualistische stelling, gebaseerd op een geloof in tegenstellingen.

Toch kan dit als leidend principe alleen wenselijk zijn als we echt geloven dat anderen los van ons staan en dat jij straf kunt verdienen terwijl ik mijn onschuld bewaar. En dus is dit niets meer dan het verborgen verlangen van het ego dat schuld werkelijk is – in het bijzonder andermans schuld. Maar als de schuld van mijn broeder enkel de projectie van mijn eigen onbewuste schuld is, dan zeg ik onbewust dat ik wil dat mijn eigen schuld werkelijk blijft. Maar wát als ik echt wist dat ik alleen vrijuit kan gaan voor mijn eigen zogenaamde zonden, als ik wil zien dat iedere ‘overtreding’ – die van anderen en mijzelf – niets meer was dan een roep om hulp? Zoals je ervaren hebt, is het duidelijk onmogelijk dit in je eentje te doen. Je bent je gaan realiseren dat de Cursus je oproept aan zijn theoretische uitgangspunten voorbij te gaan naar een daadwerkelijke toepassing in je leven door middel van vergeving. En dat zal onmogelijk blijven zolang we blijven geloven dat onze belangen gescheiden kunnen zijn van die van anderen.

De Cursus vraagt nooit dat we onze tijdelijke ervaring in de wereld ontkennen, maar hij vraagt ons of we bereid zijn onze interpretatie van die ervaring in twijfel te trekken. De interpretatie van het ego zal altijd gescheiden belangen zien en ‘rechtvaardigheid’ eisen die iedere zogenaamde fout rechttrekt, in plaats van vraagtekens te zetten bij het uitgangspunt dat volhoudt dat iedere fout een zonde is. Het komt erop neer dat karma en schuld alleen maar verschillende manieren zijn om te proberen te zeggen dat de afscheiding werkelijk is, om zo mijn individualiteit intact te houden. En daarom is de weerstand tegen de zachtaardige correctie van de Cursus voor alle vergissingen – die van onszelf en van anderen – zo moeilijk te aanvaarden. “Het wonder brengt de noodzaak van tijd tot een minimum terug” (T1.II.6:1), maar ons ego kan alleen in de tijd blijven voortbestaan. Karma is de wereldse wet van oorzaak en gevolg, die stelt dat de oorzaak werkelijk is en werkelijke gevolgen heeft, en het dus tijd kost om enig gevolg om te keren of ongedaan te maken. Zonde vraagt dus om lijden om de overtreding ongedaan te maken. Dit betekent dat, om uiteindelijke verlossing te verdienen, tijd nodig is – ergens in de toekomst, zo niet in dit leven, dan in een volgend leven. Maar het gevolg van het wonder is nu, in een heilig ogenblik buiten tijd en ruimte; de wetten van de fysieke wereld en zijn onderliggende egowetten overstijgend. In de zachtaardige en geruststellende woorden van Jezus zelf:

“Hoe dwaas en waanzinnig is het te geloven dat een wonder gebonden is aan de wetten die het enkel en alleen ongedaan kwam maken! De wetten van de zonde hebben verschillende getuigen van verschillende sterkte. En die getuigen van een verschillend lijden. Maar voor Degene die wonderen de wereld in zendt om die te zegenen, zijn een kleine pijnscheut, een werelds pleziertje en de stuiptrekkingen van de dood zelf slechts een enkel geluid: een roep om genezing en een jammerklacht om hulp in een wereld van ellende. Het is hun gelijkheid waarvan het wonder getuigt. Het is hun gelijkheid dat het bewijst. De wetten die zeggen dat ze verschillend zijn, zijn opgeheven en ontmaskerd als machteloos. Het doel van een wonder is dit tot stand te brengen. En God Zelf heeft de kracht van wonderen gegarandeerd voor datgene waarvoor ze getuigen.

Wees dan ook een getuige voor het wonder, en niet voor de wetten van de zonde. Het is niet nodig nog langer te lijden” (T27.VI.6:3-11; 7:1,2).