Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#334 Hoe kan ik Jezus vergeven?

Een van de meest algemene vragen die studenten van Een cursus in wonderen stellen betreft het vergeven van Jezus. Voor velen van ons is het een levenslange uitdaging onszelf iedere duistere gedachte te vergeven die, indien nog steeds onopgemerkt, in onze denkgeest heerst. Wat zou de beste motivatie zijn om Jezus te vergeven?

Antwoord: Allereerst moeten we verhelderen dat jouw vraag impliceert dat de Cursus ons vraagt de negatieve gedachten die we hebben te vergeven – in de zin van ‘duistere gedachten’ die tegengesteld zouden zijn aan ‘goede gedachten’. Dat zou betekenen dat we een aantal onaanvaardbare gedachten hebben die ‘zondig’ zijn en die vergeven moeten worden in de traditionele zin. Dit is echter niet de betekenis die de Cursus geeft aan vergeving. Wat de Cursus ons vraagt is al onze ‘duistere gedachten’ aan het licht te brengen, wat betekent elke gedachte die de ene gedachte van afscheiding als bron heeft. In feite betekent dit: elke egogedachte over wat dan ook. Aan deze gedachten ligt onze speciaalheid ten grondslag - dezelfde speciaalheid die we inbrengen in onze relatie met Jezus - en dit is wat vergeven dient te worden. Niet omdat het een zonde is, maar omdat het de afscheiding werkelijk maakt. De specifieke vorm die de speciaalheid aanneemt mag dan variëren, maar uiteindelijk is het altijd gebaseerd op het geloof dat Jezus (of wie dan ook) afgescheiden is van ons. En wanneer het om Jezus gaat is hij niet alleen afgescheiden van ons, maar ook nog ‘beter’ dan wij.

Zoals in al onze relaties, wordt onze relatie met Jezus gekenmerkt door de dynamiek die onvermijdelijk voortvloeit uit onze keuze om ons te identificeren met het egodenksysteem. Onderdeel van die dynamiek is het geloof dat om te winnen iemand anders moet verliezen: “Alle keuzen in de wereld berusten hierop: je kiest tussen je broeder (inclusief Jezus) en jezelf, en jij zult net zoveel winnen als hij verliest, terwijl wat jij verliest hem gegeven wordt” (T31.IV.8:4). Hiernaar wordt verwezen als het principe van schaarste. De manier waarop er vrijwel altijd over Jezus wordt gedacht, is gebaseerd op dit principe: als Jezus iets heeft wat wij niet hebben, zoals heiligheid, Verzoening enz. dan komt dat omdat hij het van ons gestolen heeft. En hierom haten we hem. Dit neemt vaak de vorm aan dat men gelooft dat Jezus een speciale en bevoorrechte plaats inneemt binnen het Zoonschap. En dus moet God hem wel meer liefhebben dan de rest van ons. Wat Jezus heeft kan nooit van ons worden. De meesten van ons delen deze overtuiging, maar het is in directe tegenspraak met wat Jezus ons in de Cursus leert: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb” (T1.II.3:10-12). Vergeving van Jezus houdt in dat we dit leren, en dat is het doel van de Cursus. Het is niet zo dat ons ook maar iets ontbreekt van wat hij heeft. Het punt is dat wij onszelf de last opgelegd hebben van al onze gedachten en oordelen tégen hem, en daarmee ook tegen onszelf. Wat ons wordt gevraagd is om te leren dat wij, samen met Jezus, de onschuldige Zoon van de Vader zijn. Vergeving van Jezus in de praktijk begint met het blootleggen van al onze verborgen gedachten en overtuigingen die ons van hem scheiden, en zowel hem als ons speciaal maken. Op die manier doen we wat hij vraagt: “Vergeef me jouw illusies, en ontsla me van de straf voor wat ik niet heb gedaan” (T19.IV.B.8:1). Onze gedachten en overtuigingen over hem zijn onze illusies, verzonnen met het doel de afscheiding werkelijk te maken en te bewijzen dat wij gelijk hebben over wie we zijn, en dat God ongelijk heeft. Wat Jezus niet deed is zichzelf van ons afscheiden; noch deelt hij ons onjuiste geloof over onszelf. Hij is dan ook vergeven wanneer wij de waarheid over onszelf hebben geleerd.