Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#302 Zegt de Cursus dat we de werkelijkheid van ons lichaam wel of niet moeten ontkennen?

In hoofdstuk twee van het Tekstboek van Een cursus in wonderen zegt Jezus over het lichaam: "Toch is het haast onmogelijk zijn bestaan in deze wereld te ontkennen. Wie dit doet, begaat een bijzonder onwaardige vorm van ontkenning." Vervolgens zegt hij in les 199 van het Werkboek dat we onszelf elke dag moeten vertellen: "Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij". Hoe kan ik deze les doen en tegelijkertijd de verklaring in het Tekstboek in gedachten houden? Ken zegt dat het ontwaken uit de droom een proces is en dat we niet moeten proberen stappen over te slaan. Het lijkt alsof het uitspreken van "Ik ben niet een lichaam. Ik ben vrij” neerkomt op het overslaan van stappen. Wat bedoelt Jezus nu precies?

Antwoord: Om te kunnen begrijpen wat Jezus’ doel is, als hij in verschillende delen van de Cursus dingen zegt en vraagt die elkaar tegen lijken te spreken, moeten we een aantal dingen in gedachten houden. Hij weet dat onze weerstand tegen zijn boodschap nog groot is en dat we niet open staan voor alles wat hij te zeggen heeft. Hij zou ons er echter geen dienst mee bewijzen als hij niet tevens heel direct zou zijn over waar hij ons heen wil leiden, en ons niet zou aansporen om de manier waarop hij naar de dingen kijkt met hem te delen, want hij weet zoveel meer dan wij.

Dat Jezus weet dat wij weerstand zullen bieden aan zijn radicale onderwijs blijkt aan het eind van de Inleiding op het Werkboek, waar hij opmerkt: "Sommige ideeën die het werkboek presenteert zul je moeilijk kunnen geloven, en andere kunnen nogal onthutsend lijken. Dit doet er niet toe. Jou wordt slechts gevraagd de ideeën toe te passen zoals je opgedragen wordt. Er wordt je helemaal niet gevraagd ze te beoordelen. Er wordt je alleen gevraagd ze te gebruiken. Juist het gebruik ervan zal ze betekenis voor je laten krijgen en je tonen dat ze waar zijn. Onthoud alleen dit: je hoeft de ideeën niet te geloven, je hoeft ze niet te aanvaarden, laat staan toe te juichen. Tegen een aantal ervan zul je je misschien heftig verzetten. Dit alles is niet van belang en zal hun uitwerking niet verminderen" (W.in.8:1-9:3; cursivering toegevoegd). En eerder, bijna aan het eind van het Tekstboek, als hij ons regels voor beslissingen geeft om de dag te hebben die we werkelijk wensen, waarschuwt hij: "En als je bemerkt dat je weerstand sterk en je toewijding zwak is, ben je er nog niet klaar voor. Vecht niet tegen jezelf” (T30.I.1:6-7).

En dus presenteert Jezus ons zijn compromisloos en uitdagend onderwijs, in de wetenschap dat we wellicht nog niet klaar zijn dit te aanvaarden en dat dit tijd zal vergen (zie bijvoorbeeld WdII.284). Maar hij weet ook dat wij, als we hem toestaan zijn voet tussen de deur van onze gesloten denkgeest te zetten, voordat we het weten bij hem aan de andere kant zullen zijn. Dat komt doordat een deel van onze denkgeest al weet en aanvaardt waar hij ons naartoe leidt. Als we het gevoel zouden hebben geen keus te hebben, zou onze weerstand nog veel groter zijn. Een les zoals les 199 dient dus gezien te worden als een uitnodiging om een andere zienswijze over onszelf en de wereld te aanvaarden, nooit als een oproep om te ontkennen wat wij nog steeds als onze werkelijkheid ervaren, hoe onwaar dat ook mag zijn.