Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#292 Toelichting en gedachten over eenzaamheid

Wat zegt Een cursus in wonderen over eenzaamheid? Ik heb me in mijn leven heel vaak eenzaam gevoeld, zelfs in liefdesrelaties. Als kind voelde ik mij eenzaam in het gezin en ook nu voel ik me nog vaak eenzaam in familieachtige gezelschappen. Hoe kan ik mijn denkgeest veranderen ten opzichte van eenzaamheid?

Antwoord: De Cursus beschrijft eenzaamheid als een onvermijdelijk gevolg van de afscheidingsgedachte (T13.III.12:1; H10.6:1,2,6). In vier verschillende passages (T2.III.5:11,12; T4.VII.6:7; T7.VII.10:5-7; T15.VIII.3:2) legt Jezus de nadruk op dit oorzakelijke verband door, als gevolg van de afscheiding, zowel God als Zijn Zoon eenzaam te noemen. Hij gebruikt hier duidelijk een dichterlijke vrijheid, omdat hij een alternatieve visie wil geven van Gods reactie op de afscheidingsgedachte die contrasteert met de beangstigende bewering van het ego dat God boos is omdat we Hem verlaten hebben (zie V#136 voor meer informatie hierover). Want God is niet veranderd door onze krankzinnige gedachten en blijft voor eeuwig Eén en onverdeeld.

Als we eerlijk zijn tegen onszelf moeten we toegeven dat ieder van ons zich eenzaam voelt, omdat we geloven in een bestaan als afgescheiden individu, begrensd door en gevangen in ons lichaam en geïsoleerd van ieder ander. Wie kan zich niet eenzaam voelen als hij afgescheiden is van de liefde? In de woorden van de Cursus: "Zolang je het lichaam als jouw werkelijkheid ziet, zolang zul jij jezelf als eenzaam en misdeeld beschouwen" (T15.XI.5:1).

Het ego beweert dat we onze eenzaamheid kunnen overwinnen door het gezelschap van andere lichamen. Maar de verbinding die we zoeken in lichamelijke nabijheid en intimiteit in onze speciale relaties, kan de pijnlijke gevoelens van isolement hooguit tijdelijk verdrijven, want lichamen kunnen zich niet werkelijk verenigen en de verborgen agenda van het ego bevat altijd de versterking van ons geloof in schuld. (T15.VII.12). Onze pogingen om onze eenzaamheid op te lossen door het gezelschap van anderen op te zoeken, ondersteunen de leugen van het ego dat de afscheiding werkelijk en het lichaam onze werkelijkheid is. Voor de meesten van ons is de daaruit voortkomende eenzaamheid ondraaglijk. Daarom proberen we deze te bedekken door middel van ontkenning en gebruiken we diverse vormen van afleiding om er niet aan te denken. Maar we trekken nooit de vooronderstelling in twijfel – de werkelijkheid van de afscheiding.

Alleen door die twijfel toe te laten kan de oplossing voor onze eenzaamheid worden gevonden (WdI.41.1:1; WdII.223.1). En het antwoord wordt gevonden door het ervaren van de vereniging van denkgeesten, niet van lichamen. Dan leren we dat we niet werkelijk afgescheiden zijn, omdat die vereniging altijd beschikbaar is. In de volgende, zeer troostende passage herinnert Jezus herinnert ons eraan dat hij altijd bij ons is en dat eenzaamheid dus geen werkelijkheid kan zijn: "Ik ben als licht gekomen in een wereld die zichzelf inderdaad alles ontzegt. Ze doet dit simpelweg door zich van alles te dissociëren [af te scheiden]. Ze is daarom een illusie van isolement, instandgehouden door de angst voor precies die eenzaamheid die haar illusie uitmaakt. Ik heb gezegd dat ik altijd met je ben, tot aan het einde van de wereld. Daarom ben ik het licht van de wereld. Als ik met jou ben in de eenzaamheid van de wereld is die eenzaamheid weg. Je kunt de illusie van eenzaamheid niet instandhouden wanneer jij niet alleen bent" (T8.IV.2:1-7).

We kunnen natuurlijk betwijfelen of de oplossing zo eenvoudig kan zijn, maar Jezus verzekert ons dat het zo is. Dat betekent echter niet dat het gemakkelijk is. Maar naarmate we meer bereid worden om in te zien dat onze belangen niet verschillen van die van onze broeders, en al onze oordelen over onszelf en anderen los te laten, zullen Jezus, en de liefde die hij vertegenwoordigt, steeds werkelijker worden in onze denkgeest en zullen we de waarheid van zijn woorden gaan ervaren.