Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#278 Als het ego geen macht heeft hoe kan het dan ‘kwaadaardig’ worden?

Er wordt gezegd dat het ego niet werkelijk is, het is een muis die brult als een leeuw, alleen ons geloof erin geeft het macht. Dus waarom wordt er dan gezegd dat het ego kwaadaardig wordt, wanneer we beslissen over te stappen naar de Heilige Geest als onze leraar? Dit klinkt alsof het een wezen is dat terugslaat, alsof het een eigen leven heeft. Als we eenmaal van gedachten veranderen, waarom is het ego dan niet weg? Hoe kan het ego nog kwaadaardiger worden dan het al is? Dit brengt me in verwarring over hoeveel macht het ego eigenlijk heeft en maakt me een beetje bang dat het zich zal wreken omdat ik het wil negeren.

Antwoord: Het ego is de gedachte van afscheiding. Hoewel zij niet werkelijk is, is het een gedachte die zowel zwak als machtig is. Zij is zwak omdat het een gedachte is van afscheiding van God wat nooit kan gebeuren, en wat nooit kan gebeuren heeft geen effect. Toch is zij machtig omdat geloof erin ons vasthoudt in de hel. Dan is liefde afgeschermd van ons gewaarzijn en onze denkgeest is verduisterd door schuld. De gehechtheid aan onze vereenzelviging met het egodenksysteem is heel sterk, waardoor het besluit ons met de Heilige Geest te identificeren als een dreiging wordt waargenomen en maakt dat we angstig worden. Deze angst is het motief voor aanval, zoals de Cursus ons vertelt: “[…] angstige mensen kunnen kwaadaardig zijn” (T3.I.4:2 cursivering door ons). Aangezien het op zichzelf niets is wordt het ego niet werkelijk kwaadaardig, het doet niets: “[…] de hele misvatting over de afscheiding ligt juist in het geloof dat het ego inderdaad de macht heeft iets te doen. Voor jou is het ego angstwekkend omdat jij dit gelooft. Toch is de waarheid heel eenvoudig: Alle macht komt van God. Wat niet van Hem komt, heeft niet de macht ook maar iets te doen” (T11.V.3:3-7). Wij kunnen niets ergers doen dan wat we al gedaan hebben toen we de gedachte van afscheiding serieus namen, waardoor we de waarheid over ons Zelf ontkennen.

Wanneer we de Heilige Geest kiezen dan is het ego weg, omdat we niet tegelijkertijd twee elkaar uitsluitende gedachten in onze denkgeest kunnen vasthouden. Het deel van de denkgeest dat zich met het ego identificeert realiseert zich, dat als vereenzelviging met de Heilige Geest voorgoed gekozen wordt, geloof in de afscheiding niet langer mogelijk is, en het afgescheiden zelf verdwijnt. Onwillig om het zelf te laten verdwijnen, wordt wederom de afscheidingsgedachte gekozen in het krankzinnige geloof dat de uitkomst nu anders zal zijn – dat in afscheiding en speciaalheid geluk gevonden zal worden. Niets is pijnlijker en kwaadaardiger in onze ervaring dan de herhaalde keuze voor afscheiding. Het is belangrijk in gedachten te houden dat wij deze keuze maken. Het is niet iets wat het ego ons aandoet.

Ons wordt niet gevraagd het ego of deze keuze te negeren; ons wordt gevraagd ernaar te kijken en alle intriges van het ego bloot te leggen. Alleen door ernaar te kijken zullen we ons ervan bewust worden dat wijzelf verantwoordelijk zijn voor het kiezen van ons geloof in de leugens van het ego, en ons realiseren welke prijs we voor die keuze betalen. De Cursus leert ons dat dit de bron is van al onze pijn: “De oorzaak van pijn is de afscheiding, niet het lichaam dat daar alleen het gevolg van is” (T28.III.5:1). Kiezen voor de Heilige Geest, wiens denksysteem de afscheiding ongedaan maakt, is de enige uitweg uit pijn. Hoewel dat een doodsteek is voor het ego en als pijnlijk ervaren kan worden. Wanneer de verwarring die je noemt je overvalt, kan het behulpzaam zijn deze prachtige geheugensteun van Jezus te overwegen: “Wat wij ondernemen is eenvoudig de terugreis naar God in Wie wij thuis zijn. Telkens wanneer er ergens onderweg naar vrede angst binnensluipt, komt dat doordat het ego een poging heeft gewaagd met ons mee te reizen, en daartoe is het niet in staat. Boos omdat het voelt dat het het onderspit delft, beschouwt het ego zich als verworpen en zint het op wraak. Jij bent onkwetsbaar voor zijn wraakzucht, omdat ik bij jou ben” (T8.V.5:4-7).