Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#270 Over het bestaan van het ego

Het antwoord op V#010 voelt voor mij niet zo goed als de rest van wat ik op deze site heb gelezen. Het zegt dat het beantwoorden van de vragen i t/m iii het bestaan van het ego rechtvaardigt en daarmee ben ik het eens. Maar als je op deze specifieke vraag dat antwoord geeft, dan denk ik dat dat antwoord op alle ingediende vragen gegeven moet worden, en op elke vraag over Een cursus in wonderen. Alleen al door woorden te typen of de Cursus te erkennen, erken je het bestaan van het ego, omdat woorden en alle dingen van deze wereld nooit 100% waar (of kennis) zijn en dus ‘niet God’ moeten zijn.

Mijn punt is dat álles ‘hier’ niet steekhoudend is, dus waarom niet geprobeerd deze vraag te beantwoorden wanneer andere evenzeer niet steekhoudende vragen wel beantwoord worden. De Cursus zegt dat er in belangrijkheid van overtuigingen ‘hier’ geen verschil is – ze zijn allemaal deel van dezelfde illusie. Maar het ego lijkt een soort extra belang te krijgen, waarover je niet op dezelfde manier vragen hoort te stellen of te beantwoorden als in andere delen van het boek. Naar mijn gevoel geeft de Cursus over het bestaan van het ego niet zo’n duidelijk antwoord als over andere kwesties. Het zou gewoon erkend moeten worden dat we niet weten wat de oorsprong van het ego is – die is onduidelijk.

Antwoord: Kwam jouw niet bestaande ego daarop uit? Heel knap! Maar de Cursus is over de oorsprong en het bestaan van het ego heel expliciet – het kan geen oorsprong hebben omdat het niet bestaat, het is niet werkelijk. Het Verzoeningsbeginsel, waarop het vergevingsproces van de Cursus is gebaseerd, benadrukt de onwerkelijkheid van het ego – de afscheidingsgedachte – in zeer besliste termen. Ga het onderstaande maar na:

“Het volle besef van de Verzoening is dan ook het inzicht dat de afscheiding nooit heeft plaatsvonden. Het ego kan hierover niet zegevieren omdat het de uitdrukkelijke vaststelling is dat het ego nooit heeft plaatsgevonden” (T6.II.10:7-8; met originele cursivering).

“De Verzoening corrigeert illusies, niet de waarheid. Dus het corrigeert wat nooit heeft bestaan. […] Op hetzelfde ogenblik dat het idee van afscheiding binnendrong in de denkgeest van Gods Zoon, op dat ogenblik werd Gods Antwoord gegeven. In de tijd gebeurde dit heel lang geleden. In werkelijkheid is het helemaal nooit gebeurd.” (H2.2:2-3,6-8; cursivering toegevoegd)

De Cursus zou niet trouw zijn aan zijn elementaire metafysische beginselen over wat werkelijk en wat illusoir is, als het een antwoord gaf dat het bestaan van het ego aanvaardt en bevestigt. Echter, daaruit volgt niet dat elk antwoord op elke andere vraag over aspecten van het ego ook het bestaan ervan bevestigt. De sleutel, zoals de Cursus herhaaldelijk benadrukt (bijvoorbeeld T4.V.6:7-9; T17.VI.2:1-2), is het doel: versterkt het antwoord het geloof in het ego, of begint het op een of andere manier dat geloof ongedaan te maken? Het is duidelijk dat uitleggen waar het ego vandaan komt, of zelfs zeggen dat zijn oorsprong in mysterie is gehuld, betekent dat zijn bestaan bevestigd wordt.

Maar uitleggen wat het geloof in het ego met zich meebrengt en hoe dat geloof ongedaan gemaakt kan worden door het beoefenen van vergeving is geen bevestiging van het bestaan van het ego. Het is simpelweg een erg praktische manier om te beginnen met het ongedaan maken van de illusie. Hier vinden we een belangrijke bijdrage van de Cursus aan de vormen van spiritualiteit in de wereld. Want hij vraagt ons niet onze ervaring van onszelf als afgescheiden te ontkennen, maar biedt ons niettemin een uitweg uit onze raadselachtige waangedachten. Wij allemaal, juist door het feit dat we geloven dat we hier zijn, schreeuwen: ‘Het ego is echt en ik ben mijn ego!’ Jezus weet dat hij ons daar moet ontmoeten waar wij denken te zijn. En wat wij werkelijk hebben gemaakt moet hij gebruiken om ons uiteindelijk te tonen dat niets daarvan echt is. Als hij dat niet deed, dan konden we de kloof tussen onjuiste overtuiging en waarheid niet zelfstandig overbruggen.

De Cursus probeert nooit het ego te veranderen (T22.V.1:1-6), omdat hij het bestaan daarvan niet erkent. Maar hij probeert wel ons geloof in het ego te veranderen. De enige gedachte die het geloof in het ego niet versterkt is vergeving. Vergeving berust, zoals hierboven aangegeven, op het Verzoeningsbeginsel, dat de woorden van het ego zelf gebruikt om de stellen dat de afscheiding, het ego, nooit heeft plaatsgevonden.

En trouw aan zijn metafysische onderbouwing, beweert de Cursus niet dat vergeving meer realiteit bezit dan het ego. In feite rekent Jezus haar expliciet tot het domein van het illusoire: “Vergeving kan een soort gelukkige fictie worden genoemd, een manier waarop de onwetenden de kloof tussen hun waarneming en de waarheid kunnen overbruggen.[…] [ze] hebben [...] een illusie van hulp nodig omdat ze hulpeloos zijn, [...]” (VvT3.2:1, 3:1; cursivering toegevoegd).

Aldus is heel het beoefenen van de Cursus nooit op aanpassing van het ego gericht – dat zou het werkelijk maken. Het laat ons eerder een stap terug doen en naar het ego kijken met alle gevolgen van het geloof erin, totdat we ons gaan realiseren dat niets daarvan werkelijk is. Dan kan zelfs de vraag waar het ego vandaan komt niet langer gesteld worden. Maar zolang wij geloven dat het werkelijk is, helpt Jezus ons vriendelijk om het allemaal anders te zien.