Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#264 Waar bevinden de keuzemaker en de Heilige Geest zich precies in het theoretische plaatje?

Voor mij is een helder beeld van de theoretische grondslagen van Een cursus in wonderen een essentiële basis om met oefenen te beginnen. Daarom bestudeer ik het schema op jullie website: http://www.facim.org onder ‘online learning aids’ en ‘theory’.

[1] Ik zie de gebieden: eenheid-van-denken, onjuiste gerichtheid van denken en juiste gerichtheid van denken. In welk gebied zit de ‘keuzemaker’? Verblijft hij ergens tussen onjuiste en juiste gerichtheid van denken? Of zien jullie hem meer als ‘deel’ van een van deze deze gebieden?

[2] Ik vind het storend dat de Heilige Geest tussen waarheid en illusie staat en in de daarop volgende omschrijving van de Drie-eenheid beschreven wordt als behorend tot de eenheid-van-denken. Ik heb eerder een beeld in mijn hoofd van de Heilige Geest als deel van de illusoire wereld, vanuit het juist gerichte denken naar de waarheid wijzend, of misschien is Hij gewoon deze juist gerichte denkwereld. Aldus vervult Hij een bemiddelende rol tussen onjuiste gerichtheid van denken en juiste gerichtheid van denken. Als ik de Drie-eenheid bekijk, dan zie ik God en Christus in het gebied van de eenheid-van-denken en de Heilige Geest in het gebied van het juist gerichte denken. Die zienswijze maakt het voor de ‘mij die in de dualiteit leeft’ mogelijk het idee te aanvaarden dat de Heilige Geest een deel van mij is. Deze ideeën lijken in tegenspraak met wat op http://www.facim.org getoond wordt. Kun je me helpen deze gedachten op te helderen?

Antwoord: 1) De keuzemaker is het deel van de denkgeest dat ervoor kiest zich te vereenzelvigen met hetzij het denksysteem van het ego, hetzij het denksysteem van de Heilige Geest. Hij is nooit neutraal; hij kiest altijd het ene of het andere. In het schema wordt hij gelocaliseerd in het gedeelte van Niveau Twee precies in het midden, boven de vakjes van het onjuist gerichte denken en het juist gerichte denken.

2) Binnen de illusie vertegenwoordigt de Heilige Geest het Verzoeningsbeginsel in ons juist gerichte denken. Hij wordt op vele manieren beschreven door Jezus, die Zijn functie deelt. Hij helpt ons de ladder weer op te klimmen waarlangs de afscheiding ons naar beneden heeft gevoerd. Wanneer je, als besluitvormende denkgeest buiten tijd en ruimte, er voor eens en voor altijd voor kiest het ego te laten gaan en je volledig te vereenzelvigen met je juist gerichte denken, dan word je de manifestatie van de Heilige Geest, net als Jezus. Je weet dan dat dit je enige identiteit is en je ziet het egodenksysteem van afscheiding en individualiteit als totaal zonder betekenis. Dus de Heilige Geest is wel degelijk deel van jou, het deel van je denkgeest dat de herinnering van God bevat en jouw ware Identiteit als Christus, en jij kunt (als besluitvormende denkgeest) verkiezen je op ieder moment daarmee te vereenzelvigen.

Twee passages in het bijzonder geven aan dat de Heilige Geest deel is van de Drie-eenheid en ook als bemiddelaar fungeert: “En dan is de Stem [de Heilige Geest] verdwenen, en neemt ze niet langer vorm aan, maar keert terug naar de eeuwige vormloosheid van God.” (VvT.6.5:8) Op eenzelfde manier wordt ons in het Tekstboek verteld: “De Heilige Geest is de Christus-Denkgeest die zich bewust is van de kennis die voorbij de waarneming ligt. Hij is bij de afscheiding ontstaan als bescherming, en inspireerde tegelijkertijd het Verzoeningsbeginsel. Voordien was er geen genezing nodig, want niemand was zonder troost. De Stem van de Heilige Geest is de Oproep tot Verzoening, of het herstel van de integriteit van de denkgeest. Wanneer de Verzoening compleet is en het hele Zoonschap genezen, zal er geen Oproep tot terugkeer meer uitgaan. Maar wat God schept is eeuwig. De Heilige Geest zal bij de Zonen van God blijven om hun scheppingen te zegenen en die in het licht van de vreugde te bewaren” (T5.I.5)

Ten slotte: het is bij het bestuderen van het schema behulpzaam in gedachten te houden dat we proberen een schematische voorstelling te geven van iets wat illusoir is (de denkgeest die zich afgescheiden heeft van God), en ook van iets wat volledig buiten de vorm ligt (God, Christus, en Zijn scheppingen). Terwijl schema’s dus nuttige leermiddelen zijn, kunnen ze nooit perfect de denksystemen uitbeelden die in de Cursus worden besproken, die op zichzelf illusoir zijn.