Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#201 Hoe keren we naar het punt terug waar de oorspronkelijke dwaling plaatsvond?

Hoe kunnen we, in verband met het gebed aan het eind van de paragraaf “de keuze voor God” (T5.VII.6:7-11), ons “denken terugbrengen naar het punt waarop de vergissing werd begaan” (T5.VII.6:5), als we ons onze keuze om ons van God af te scheiden niet herinneren … of ons er niet van bewust zijn?

Antwoord: Onze ‘terugreis’ is een proces waarbij we op onze schreden terugkeren vanaf het punt waar we denken te zijn: in ons lichaam, in de wereld, in de droom. Hoewel we ons de oorspronkelijke keuze om ons van God af te scheiden inderdaad niet herinneren, lijken we de gevolgen van die keuze werkelijk te ondergaan. Als we helder en rechtstreeks de gevolgen onder ogen zien van ons geloof in de werkelijkheid van de afscheiding, zal de ware aard van deze verkeerde keuze worden getoond. Onze terugkeer begint wanneer we bereid zijn naar elke situatie op een andere manier te kijken. Elke persoon, gebeurtenis, omstandigheid of situatie die ons pijn, ongemak of een gebrek aan vrede lijkt te berokkenen, is een gelegenheid voor ons om twijfels te hebben bij wat er echt aan de hand is. Een cursus in wonderen zegt ons dat het conflict dat hier in de droom wordt ervaren, in werkelijkheid veroorzaakt wordt door de schuld in onze denkgeest, die buiten onze denkgeest wordt geplaatst en op het lichaam of op de wereld wordt geprojecteerd. Het doel van deze projectie is ons te bevrijden van de verantwoordelijkheid voor onze keuze voor afscheiding.

Aan de andere kant zegt het ego ons dat personen en gebeurtenissen buiten ons de schuld moeten krijgen voor onze ellende. Wij zijn het slachtoffer geworden van factoren van buitenaf en kunnen er niet verantwoordelijk voor gehouden worden. Door het vergevingsproces leren we te achterhalen dat de oorzaak van onze problemen een keuze in de denkgeest is, en hoeven we anderen niet te beschuldigen. Dit is het niveau waarop we terugkeren naar het punt waar de vergissing werd begaan. Op deze manier worden de mensen tegen wie we grieven koesterden, van alle verantwoordelijkheid vrijgesproken; zo worden ze vergeven voor wat ze “niet [hebben] gedaan” (T17.III.1:5). Wanneer we in staat zijn vergeving op iedereen en elke situatie in ons leven toe te passen, en ons voldoende onttrokken hebben aan het ego-geloof in afscheiding, zullen we ons volledig met de denkgeest vereenzelvigen en niet met het lichaam. Dan zullen we niet langer geloven dat we tot slachtoffer gemaakt kunnen worden, maar wel geloven in de macht van het vermogen van onze denkgeest om te kiezen. Dit zal ons de vrijheid geven een andere keuze te maken. We zullen ons niet vergissen en geloven dat de afscheiding werkelijk was en ernstige gevolgen heeft, maar zachtjes lachen om deze absurde gedachte. Dit is de uiteindelijke terugkeer naar het “punt waarop de vergissing werd begaan” (T5.VII.6:5) . Dan zullen we ontwaken uit de droom van afscheiding.

Intussen versterken we ons geloof in onze ware identiteit als denkgeest elke keer wanneer we bereid zijn in te zien dat een situatie, of de dynamiek van een relatie het rechtstreekse gevolg is van een keuze die wij in onze denkgeest maken, zonder schuld op anderen te projecteren. Tegelijkertijd verzwakken we dan ons geloof in het ego-verhaal dat we afgescheiden zijn en ons met het lichaam vereenzelvigen. Zo worden we naar het punt van de uiteindelijke keuze geleid, de beslissing om niet meer terug te keren naar de verduisterde wereld van illusie en afscheiding.