Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1379 Ik heb een belangrijk concept begrepen, maar ik voel onvrede omdat ik het niet kan toepassen.

Een paar dagen geleden begreep ik eindelijk een cruciaal begrip: dat mijn gedrag gestuurd wordt door mijn waarneming, en niet door de gebeurtenissen in de wereld buiten mij. Hoewel dit honderden keren en op vele manieren in Een cursus in wonderen gezegd wordt, heeft het negen jaar geduurd voordat het kwartje bij mij viel. Nu voel ik me ten einde raad, want ik weet niet wat ik moet doen! Want als mijn waarneming mijn gedrag stuurt, hoe verander ik dan mijn waarneming? En moet/wil ik dit eigenlijk wel? Kan dit de betekenis zijn van ‘Ik hoef niets te doen’? Ik vind het geweldig dat ik dit cruciale concept begrijp, en ben toch depressief omdat ik niet weet wat ik ervan moet denken, of hoe ik deze kennis in mijn dagelijks leven toe kan passen!

Antwoord: Vat moed! Dit is precies waarom Jezus ons het Werkboek gaf. De introductie geeft een mooie samenvatting van het doel ervan: “Het werkboek is onderverdeeld in twee hoofdafdelingen: het eerste houdt zich bezig met het ongedaan maken van de manier waarop jij nu ziet, en het tweede met het verwerven van ware waarneming” (Win.3:1). Dus door de lessen van deel I van het Werkboek te beoefenen en ze dan algemeen toe te passen, maken we onze commitment aan de manier waarop het ego waarneemt ongedaan. Dat is een manier om te zeggen dat we ophouden met het hinderen van de natuurlijke stroom van liefde in onze denkgeest. De training helpt ons geleidelijk onszelf te ervaren als een keuzemaker in de denkgeest die altijd kiest om ofwel het denksysteem van het ego waar te nemen, ofwel dat van de Heilige Geest. We leren alle manieren waarop we afscheiding waarnemen herkennen, en dan erkennen we dat we ervoor kiézen op die manier waar te nemen, want we wíllen op die manier waarnemen.

Dat is het punt dat we door ervaring willen bereiken, omdat we dan in de positie zijn onszelf af te vragen of we door willen gaan met op die manier waarnemen, of willen we de andere beschikbare optie in onze denkgeest kiezen: de waarneming van de Heilige Geest, die wil dat we inzien dat we allemaal dezelfde belangen delen. Als we niet weten dat we een denkgeest zijn, met de macht om te kiezen wat we zullen ervaren (inhoud, niet vorm), dan zullen we doorgaan onszelf en anderen primair te zien als slachtoffers van gebeurtenissen die we niet onder controle hebben. De training van Jezus is erop gericht ons te helpen de overstap te maken van ons niet gewaar zijn van de denkgeest naar ons gewaar zijn van de denkgeest. Dus feitelijk hoeven we onze waarneming niet te veranderen: we moeten kijken naar waar we voor kiezen, en onszelf afvragen of we op die manier door willen gaan. Indien we dat niet willen, dan moeten we ‘nee’ zeggen tegen het ego. Juist-gerichte waarneming zal automatisch zijn plaats innemen – die was er altijd al; we verwierpen haar en stelden onze eigen waarneming (die van het ego) ervoor in de plaats.

Jezelf veroordelen omdat het zo lang duurde voor het kwartje viel is dwaas – en duidelijk van het ego. Je neemt aan dat negen jaar een lange tijd is, maar volgens wiens standaard van vooruitgang? Je bent je niet bewust van de totaliteit van jouw Verzoeningspad (wat waar is voor ieder van ons), dus hoe kun je weten wat het betekent? Wees voorzichtig met het gebruik van criteria die hun oorsprong hebben in de wereld van ruimte en tijd om je spirituele proces te beoordelen. Je bent aan het leren dat je niet gedefinieerd wordt door de wereld en het lichaam, en dat zij verzonnen werden om de waarneming van de waarheid te blokkeren, dus waarom zou je erop vertrouwen dat ze je iets te vertellen hebben over wat totaal buiten hen ligt? Wees in plaats daarvan dankbaar dat je angst genoeg verminderde om deze sluier af te leggen. Ga nu verder met een groter vertrouwen in het proces zelf. Zoals Jezus ons leert: “Al wat jou gevraagd wordt is dat je ruimte voor de waarheid maakt. Er wordt jou niet gevraagd iets te maken of te doen wat jouw begrip te boven gaat. Het enige wat jou gevraagd wordt is het binnen te laten, alleen op te houden datgene tegen te werken wat vanzelf gebeurt, en eenvoudigweg weer de aanwezigheid te herkennen van dat waarvan jij dacht dat je het weggegeven had”(T21.II.7:6-8).