Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1327 Ik voel me erg verloren en alleen waar het om de ‘droom’ gaat.

Ik ben in de war! Jezus zegt ons dat we niet werkelijk zijn, dat de afscheiding nooit heeft plaatsgevonden, dat er geen ego, geen lichaam en geen wereld is, dat zelfs de droom niet werkelijk is. En toch ervaren we zoveel verdriet, pijn, verlies, enzovoort. Wiens bewustzijn zijn we dan? Op welke manier zijn we verantwoordelijk voor al wat we meemaken? Wie zijn we überhaupt? Ik begrijp niet wat onze essentie is, als we niet werkelijk zijn, als we niet bestaan, als God zelfs niet weet dat we hier zijn, wat zijn we dan? Als dit Jezus’ droom is, op welke manier zijn we dan verantwoordelijk voor al onze pijnlijke ervaringen in wat nooit lijkt te eindigen? Zijn we slechts marionetten in een droom, aangezien het lijkt of we uit deze nachtmerrie niet kunnen ontwaken! Ik voel me ongelooflijk alleen sinds ik gelezen heb dat God geen weet heeft van ons bestaan.

Antwoord: Ja, dit aspect van het onderricht van de Cursus kan heel verwarrend zijn en je uit je evenwicht brengen. Veel mensen hebben zich even ellendig gevoeld als jij. Maar gelukkig is de Cursus zelf onze redding uit deze verwarring en geeft ons in feite veel hoop en troost wanneer we te maken hebben met wat zeker een nachtmerrie lijkt. Wat helpt om je verontrusting te kalmeren is het inzicht dat Een cursus in wonderen op twee niveaus wordt gepresenteerd. Het eerste niveau leert ons de absolute waarheid over de werkelijkheid – alle uitspraken zeggen op de een of andere manier dat de afscheiding van God in waarheid nooit is gebeurd, en dat niets van de wereld of van het lichaam dus werkelijk is. Maar aangezien dat niveau van de absolute waarheid voor ons zo goed als geen betekenis heeft, wordt de Cursus ook op een ander niveau gepresenteerd. Het tweede niveau komt ons tegemoet daar waar we zijn (zie T25.I.5-7) – als personen die in een fysiek universum leven en verdriet, pijn, verlies, eenzaamheid, enzovoort ervaren. Op dit niveau leert Jezus ons hoe we al deze ervaringen als hulpmiddel kunnen gebruiken om weer in contact te komen met de waarheid die nog steeds in onze denkgeest aanwezig is, maar wel bedekt. Het tweede niveau leert ons dus dat we ons lichaam en de wereld kunnen gebruiken voor een doel dat vanuit een onjuiste of een juiste gerichtheid-van-denken werd gekozen; we kunnen kiezen voor het ego of voor Jezus (of de Heilige Geest) als leraar in ons dagelijkse leven. Jezus verbindt zich dus met ons in de context van wat wij als werkelijk ervaren, en helpt ons dan om dit zo om te vormen dat het voor ons behulpzaam en niet schadelijk is.

Het doel van ons werk met de Cursus is dus om steeds meer een juiste gerichtheid-van-denken te bereiken. Dat betekent het geleidelijk loslaten van schuld, angst, en al onze oordelen en haat. We worden vriendelijker jegens onszelf en anderen, en voelen ons veel vaker in vrede. De kern van het onderricht van dit tweede niveau is dat we in onze denkgeest de macht hebben om te kiezen welke leraar we willen volgen (Jezus of het ego), en dat we altijd de een óf de ander kiezen, hoewel we ons daar niet bewust van zijn. Door de principes van de Cursus te bestuderen en ermee te oefenen, worden we ons er echter geleidelijk van bewust dat we deze keuze maken, en zijn we in staat uit onze ervaringen af te leiden welk denksysteem we in onze denkgeest gekozen hebben.

We zijn dus geen marionetten, want we beschikken allemaal over deze macht om te kiezen, waar de Cursus ons steeds weer aan herinnert. Met deze training heeft Jezus als doel ons weer in contact te brengen met onze werkelijke kracht als denkgeest. Dit zal ons bevrijden van de afschuwelijke last dat we ons verstrikt voelen in wat een eindeloze nachtmerrie van pijn, conflict en strijd lijkt. Hij verzekert ons dat we hierin niet kunnen falen en dat zijn liefdevolle aanwezigheid altijd aan onze zijde is, zoals hij in Les 302 zegt: “Onze Liefde wacht ons nu we naar Hem toegaan, en vergezelt ons om ons de weg te wijzen. Hij schiet in niets tekort. Hij het Einddoel dat we zoeken, en Hij het Middel waardoor we tot Hem gaan” (WdII.302.2).