Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1302 Het is zo moeilijk om te gaan met het contrast tussen de wereld van de Cursus en de buitenwereld.

Wanneer ik de deuren dichtdoe, mezelf in een kamer opsluit en me onderdompel in het lezen van Een cursus in wonderen, voel ik me zo blij, omdat alles wat hij zegt waar klinkt. Ik wens letterlijk dat de illusoire wereld niet langer bestaat, als ik de deuren opendoe. Dit brengt natuurlijk onmiddellijk angst en verontrusting met zich mee. Ik zie soms het ‘sluwe’ ego voor me, die beweert dat speciaalheid bestaat, alsof hij met me spot door te zeggen: ‘zie je wel, God heeft je niet echt lief, je zit hier vast’. Ik word er zo verward en verdrietig door, dat ik alleen maar huil, zoals ik altijd heb gedaan. Het lijkt wel of er voortdurend een strijd in mij woedt, en vrede, zelfs als die komt, is van voorbijgaande aard. Het lijkt of ik me voortdurend en onverbiddelijk moet herinneren om “opnieuw een keuze te maken”. Alles bij elkaar wil ik werkelijk alleen maar God. Ik geloof ook echt dat God op me wacht. Maar waarom is er die ogenschijnlijke afstand en die smeerlapperij waardoor het licht verduisterd wordt?

Antwoord: Ja, andere studenten hebben dit soort ervaringen ook – ze zijn helemaal niet ongewoon. Geduld en zachtmoedigheid zijn onontbeerlijk om dit proces te doorlopen. Als we de eerste keer dat we onze denkgeest ervoor openstellen de vrede van God zonder voorbehoud gewoon konden aanvaarden, zouden we Een cursus in wonderen niet nodig hebben. Ja, we zouden dan waarschijnlijk zelfs niet hier zijn. Misschien helpt het veel meer en is het realistischer om aan te nemen dat we die vrede niet echt willen – of dat we die alleen op onze voorwaarden willen – omdat we doodsbang zijn voor wat het betekent als we ze ten volle aanvaarden. Diep van binnen beseffen we dat onze identiteit zoals wij die kennen, zou verdwijnen, net als de wereld. We hebben dus een enorm conflict: we verlangen wanhopig naar vrede, maar zijn tegelijkertijd doodsbang om die te aanvaarden. We denken dat het mooiste dat ons ooit kan overkomen is ontwaken uit deze benauwende lijdensdroom, en toch zijn we er niet zeker van dat we onze identiteit als een zelf los willen laten. Dit thema wordt door Jezus besproken in “De angst voor verlossing” (T13.III), en is ook het onderwerp van Kenneth’ boek Je weerstand tegen liefde loslaten (Ending our resistance to love). Jezus stelt ons gerust over de zachtaardigheid van de reis waarop hij ons leidt: we zullen eerst dromen van vrede, en er vervolgens toe ontwaken (T13.VII.9:1). En het is niet zo dat we “opeens [zullen] worden opgetild en de werkelijkheid in geslingerd (T16.VI.8:1).

Het lijkt zeker zo of er een strijd gevoerd wordt in onze denkgeest, maar dat is alleen waar vanuit het standpunt van het ego. (Zie de paragraaf in het Tekstboek getiteld “Boven het slagveld” (T23.IV)). Het ego voelt dat zijn bestaan dodelijk bedreigd wordt, en die bedreiging is de macht van onze denkgeest om tegen het ego te kiezen en voor het denksysteem van vergeving van de Heilige Geest. Deze keuze maken is het begin van het einde van het ego, en daarom heeft het een strategie verzonnen om ons af te schermen van onze identiteit als een denkgeest die beslissingen neemt. Voor het ego is het dus duidelijk een strijd op leven en dood, omdat beide zijden in zijn ogen werkelijk zijn. Die spanning voelen we dan ook wanneer we ons met het ego vereenzelvigen. Maar vanuit het standpunt van Jezus is er geen strijd, want hij weet dat het ego en alles waar het voor staat verzonnen zijn – je kunt geen strijd leveren met iets dat niet bestaat, tenzij je Don Quichot bent! Als we de vraag stellen: ‘wat is het ego en waar kan het worden gevonden?’, antwoordt Jezus: “Niets en nergens” (VvT2.6:7). Jezus leidt ons zo op onze weg terug naar onze denkgeest waar we in contact kunnen komen met onze foutieve overtuigingen en er vervolgens tegen kunnen kiezen.

Maar omdat we denken dat we een lichaam zijn dat in een wereld woont en we ons niet langer bewust zijn van onze identiteit als denkgeest met de macht om te kiezen, laat Jezus ons op dat niveau beginnen en gebruikt hij onze ervaringen in de wereld om ons terug te leiden naar de inhoud in onze denkgeest, en uiteindelijk terug naar onze identiteit als denkgeest. Hij onderwijst ons hoe we moeten omgaan met onze reacties op de dagelijkse gebeurtenissen in ons leven. Die zijn een afspiegeling van de inhoud in onze denkgeest die we verkozen hebben werkelijk te maken: “de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.In.1:5). Daarom zijn onze interacties belangrijk: ze vormen het leerplan waar Jezus als onze leraar gebruik van kan maken. Dit is typerend voor het pad van Een cursus in wonderen.

Als je je uit angst uit de wereld terugtrekt, is dat uiteindelijk omdat je de wereld macht hebt gegeven die ze eigenlijk niet heeft. Je vergeet dat dit een projectie van je denkgeest is (een deel van de ego-strategie) en dat je die daarom de enige betekenis gegeven hebt die het voor jou heeft – een hoofdprincipe van al wat de Cursus onderwijst (Zie T13.IX.3.:1 en WdI.2, en de verwijzing naar hoofdstuk 21 hierboven). Als je bezwijkt onder de bedreigingen van het ego over het gevaar om in je denkgeest te blijven, kijk je voorbij aan de werkelijke kracht die daar nog altijd aanwezig is. Depressie is een van de gevolgen als je het ego serieus neemt. Voor het ego kiezen is de waarheid ontkennen, jezelf afscheiden van de bron van ware vrede en geluk, en het doen lijken dat je niets meer bent dan een hulpeloos slachtoffer van krachten waar je geen controle over hebt. Jezus’ onderricht heeft dan ook tot doel ons naar binnen terug te leiden, daar waar we de keuze maken om zijn waarheid te geloven of die te ontkennen. Zijn methode houdt rekening met onze onfortuinlijke toestand dat we niet eens beseffen dat er een ‘binnen’ is waarnaar we terug kunnen keren. Nogmaals, dit wijst op de waarde van onze interacties in de wereld – we kunnen nu onze aandacht leren vestigen op hun doel (inhoud) terwijl we onze rol (vorm) toch op een verantwoorde manier uitoefenen: “Vergeet niet dat de genezing van Gods Zoon het enige is waartoe de wereld dient. Dat is de enige bedoeling die de Heilige Geest erin ziet, en dus de enige die ze heeft” (T24.VI.4:1-2). Hierin is onze hoop gelegen, die in stand wordt gehouden door Jezus’ belofte om bij elke stap op onze weg aanwezig te zijn, en door zijn garantie dat we niet kunnen falen, want alles wat we doen is onze ontkenning van de waarheid ontkennen (T12.II.1:5), en ons herinneren wat we verkozen te vergeten.