Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1299 Hoe moet ik een persoon waarnemen die ziek is?

De paragrafen in Een cursus in wonderen met de titel “Ermee instemmen zich te verbinden” (T28.III) en “De grotere verbinding” (T28.IV.4) lijken heel belangrijk in verband met het in de praktijk omgaan met ‘anderen’ en hoe we hen waarnemen, en dus ook voor onze waarneming van onszelf. Maar hoe je de betekenis ervan in de praktijk moet toepassen, is me niet duidelijk. Als voorbeeld de uitspraak: “Je met de denkgeest van een broeder verenigen voorkomt de oorzaak van ziekte en de vermeende gevolgen” (T28.III.2:5). Als ik een broeder zie die ziek is (in welke vorm dan ook), weet ik dat ik me in die illusie met hem verbonden heb. Maar wat zou ik moeten zien, waar zou ik naar moeten kijken, waarvan zou ik me bewust moeten worden, om hem en mezelf te bewijzen dat dit een onjuiste waarneming is?

Antwoord: Het is altijd lastig om de praktische toepassingen van de Cursus te bespreken. Aan de ene kant is de Cursus heel praktisch omdat hij ons precies zegt hoe we zijn onderricht moeten volgen. Aan de andere kant stellen de meesten van ons zich voor dat we gedragsmatig iets kunnen doen, als we aan praktische toepassingen denken. Maar in de Cursus gaat het nooit over gedrag. Dus om je vraag te beantwoorden: er is aan de buitenkant niets dat je verondersteld wordt te zien, waar je naar dient te kijken of waarvan je je bewust dient te worden. Hoe zou dat ook kunnen als de overkoepelende boodschap van de Cursus is dat er buiten je eigen denkgeest niets is? En de Cursus vraagt je zeker niet te bewijzen dat jouw waarnemingen of die van je broeder onjuist zijn.

Wat zegt hij ons dan wel dat we moeten doen? We kunnen hierop beginnen te antwoorden door de zin waar jij naar verwijst, zorgvuldig te lezen: “Je met de denkgeest van een broeder verenigen voorkomt de oorzaak van ziekte en de vermeende gevolgen” (T28.III.2:5, onze cursivering). Met andere woorden: er wordt ons gevraagd ons op het niveau van de denkgeest met elkaar te verbinden. Jezus zegt er niets over dat lichamen zich verbinden of dat er iets op het niveau van de vorm wordt gedaan. Het spreekt vanzelf dat een lichaam zich niet met een denkgeest kan verbinden. Dit betekent dus duidelijk dat de plaats waar we ons met een broeder verbinden, in onze gedachten is. Dit voorkomt de oorzaak van ziekte, omdat de oorzaak van ziekte ons geloof in schuld en afscheiding is. Door in onze eigen denkgeest dus in te zien dat schuld en afscheiding illusoir zijn en dat we met onze broeder verenigd zijn – zowel in ons schuldgevoel in onze droom als in de werkelijkheid als Gods geliefde Zoon – ontwapenen we de schuld en de angst. Deze veroorzaakten de noodzaak voor ziek zijn, omdat ziekte in deze droom een krachtig verdedigingsmiddel is tegen de waarheid.

Dat betekent niet dat onze innerlijke omslag het lichaam van onze broeder of het onze zal genezen. Maar het betekent wel dat als we deze omslag ten volle maken, we een lichaam kunnen hebben dat vol kanker zit en toch in vrede zijn. Op dezelfde manier kunnen we bij een broeder zijn die stervende is aan kanker en toch weten dat de ziekte geen invloed heeft op wie hij werkelijk is. Vanuit die optiek zien we dat hoewel zijn lichaam ziek lijkt te zijn, hij niet een lichaam is en hij dus niet ziek is. Wat ons gedrag betreft, doen we waarschijnlijk nog steeds alle liefdevolle dingen die we normaal voor iemand doen die pijn lijdt. We proberen de ziekte niet weg te redeneren of die persoon te zeggen dat die illusoir is. Als die persoon dat kon aanvaarden, zou hij niet ziek zijn. In plaats daarvan troosten we de persoon in kwestie op elke manier die hem op dat moment het beste helpt.

Wat ook helpt om te begrijpen wat de Cursus bedoelt in de paragrafen die jij noemt is het besef dat wanneer Jezus over ziekte spreekt, hij geen lichamelijke aandoening bedoelt. Voor Jezus is alleen het denken dat we ons hier bevinden al ziekelijk. De overtuiging dat we moeten ademen, eten, slapen en dergelijke is een ziekte – niet omdat deze dingen slecht zijn, maar omdat ze onze absoluut waanzinnige keuze voorstellen dat we geloven dat we beperkt kunnen worden door deze “muur van vlees […] rond de denkgeest, [die] deze in een nietig plekje ruimte en tijd gevangen [houdt], onderworpen [is] aan de dood en met slechts een ogenblik toebedeeld waarin het zucht en treurt en sterft …” (T20.VI.11.2). Vanuit Jezus’ genezen perspectief is jouw behoefte om te ademen dan ook niet meer of minder een ziekte dan de kanker van je broeder. Daarom is het zo dat “de Verzoening voor jezelf aanvaarden betekent geen steun verlenen aan iemands droom van ziekte en dood” (T28.IV.1:1). De Verzoening aanvaarden betekent inzien dat het geheel van onze ervaring niet meer is dan een boze droom van ziekte en van dood, en dit is waar, of het lichaam op dit moment al dan niet gezond of ziek lijkt te zijn naar wereldse normen.

Gelukkig vraagt Jezus niet van ons dat we die ingrijpende omslag in ons denken in ons eentje maken. Hij laat ons weten dat de Heilige Geest al in onze denkgeest aanwezig is en klaarstaat om ons te helpen van gedachten te veranderen wanneer we Hem dat vragen. Nogmaals, je hoeft niet te proberen naar iets te zoeken of iets te bewijzen. “Jouw bereidwilligheid om illusies los te laten is al wat de Genezer van Gods Zoon verlangt” (T28.IV.10:8).