Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1297 Hoe kunnen we in een illusoire wereld leven, als materie niet van belang is?

Ik zat op een avond in de bibliotheek en ik merkte op dat een bepaald boek glansde. Er was iets mee, dat mij te kennen gaf dat ik het moest lezen. Dus ik nam dat willekeurige boek en het bleek Een cursus in wonderen te zijn. Ik heb de afgelopen zes jaar veel tijd besteed, niet alleen aan het bestuderen van de Cursus maar ook van andere spirituele bewegingen, filosofieën en denksystemen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat er in dit universum feitelijk niets anders bestaat dan de denkgeest van de mensen. Ik geloof absoluut niet in de materie! Ik denk dat als we een massabewustzijn hadden en op gelijke manier zouden geloven, deze hele wereld zoals we die zien, zou verdwijnen, en het Zoonschap verenigd zou worden. Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat als een medebroeder iets goed doet voor een ander, dit tot in de eeuwigheid in Gods Denkgeest herinnerd zal worden, maar al het andere zal worden uitgewist wanneer totale Verzoening is bereikt.

Zolang de meerderheid van het Zoonschap dit niet heeft ingezien, zitten we vast aan deze materiële illusie, en dus blijft de vraag: hoe kunnen we de mensen in zo’n materialistische wereld ervan overtuigen dat materie er niet toe doet? Hoe kunnen we mensen die zoveel vertrouwen in hun lichaam hebben ervan overtuigen dat hun lichaam maar een illusie is? En voor degenen onder ons die dit wel begrijpen: hoe kunnen we in een illusoire wereld leven en de absurditeit van dit alles inzien en in zekere mate aandacht schenken aan de illusie; bijvoorbeeld door ons niet door een auto te laten overrijden, niet naakt over de snelweg te lopen, enzovoort? Want het klinkt alsof we door meer met de illusie mee te ‘spelen’, aan die illusie ook meer kracht geven. Ik geloof stellig dat dit de volgende logische stap in het evolutieproces van de Cursus is. Wat denk jij over wat ik de ‘Evolutie van Een cursus in wonderen’ noem?

Antwoord: Een cursus in wonderen onderwijst duidelijk dat de wereld en het lichaam illusoir zijn, en dat de wereld in het niets zal verdwijnen vanwaar ze is gekomen, wanneer we niet langer het doel willen dat ze dient. “Wanneer niet één gedachte aan zonde overblijft, is de wereld voorbij. Ze zal niet worden vernietigd of aangevallen, of zelfs maar aangeraakt. Ze zal eenvoudig ophouden schijnen te bestaan” (H14.2:10-12; zie ook T20.VIII.7-11; WdII.226). De wereld is dus niet het probleem, want ze is niets anders dan een projectie van de denkgeest, “de uiterlijke weergave van een innerlijke toestand” (T21.In.1:5). De Cursus onderwijst ons dan ook naar binnen te kijken naar wat er de oorzaak van is dat wij naar buiten projecteren en ons vereenzelvigen met de vorm die de projectie aanneemt. Dat is de kern van zijn onderricht en van de oefeningen om de denkgeest te trainen.

In het begin van het Tekstboek spreekt Jezus over de moeilijkheid om tot ons door te dringen: “Hoe kun je iemand de waarde bijbrengen van iets wat hij doelbewust heeft weggegooid? Hij moet het hebben weggegooid omdat hij er geen waarde aan hechtte. Je kunt hem slechts laten zien hoe ellendig hij er zonder dat aan toe is, en het langzaam dichterbij brengen zodat hij kan leren hoe zijn ellende afneemt naarmate hij het nadert. Dit leert hem zijn ellende met de afwezigheid ervan te associëren en het tegendeel van ellende met de aanwezigheid ervan. Gaandeweg wordt het wenselijk, naarmate hij van gedachten verandert over de waarde daarvan. Ik leer jou om ellende met het ego en vreugde met de geest te associëren. Jij hebt jezelf het tegendeel geleerd. Je bent nog altijd vrij te kiezen, maar kun je werkelijk de beloningen van het ego verlangen in de aanwezigheid van de beloningen van God?” (T4.VI.5) De pedagogie van deze cursus is heel doordacht – hij komt ons tegemoet op het punt waar wij zijn en respecteert de keuzes die we hebben gemaakt om ons van de waarheid en de liefde te dissociëren, terwijl hij ons tegelijkertijd de rampzalige gevolgen van die keuzes toont. Hij dwingt of dreigt nooit, maar toont kristalhelder wat voor een knoeiboel we van alles hebben gemaakt, met inbegrip van onze zelf-identiteit, waarom we dat gedaan hebben en hoe we dat allemaal ongedaan kunnen maken. Zijn aanpak is zachtaardig en aanmoedigend, en verzekert ons dat er geen haast bij is, aangezien de tijd uiteindelijk onwerkelijk is, en we ongedaan maken wat nooit is gebeurd (het Verzoeningsprincipe). Al wat we nodig hebben om het gewaarzijn van de aanwezigheid van liefde in onze denkgeest te herstellen, is al in de Cursus aanwezig. Voor degenen in wie deze cursus resoneert is dat al wat nodig is. Andere paden zijn beschikbaar voor degenen die dit pad niet prettig vinden (H1.4:1-2).

De Cursus bespreekt dikwijls deze aangelegenheid, om jouw woorden te gebruiken: ‘hoe kunnen we in een illusoire wereld leven en de absurditeit van dit alles inzien en in zekere mate aandacht schenken aan de illusie; bijvoorbeeld door ons niet door een auto te laten overrijden, niet naakt over de snelweg te lopen, enzovoort.’ Les 155 onderwijst ons bijvoorbeeld dat “er een manier [is] om in de wereld te leven die niet van deze wereld is, ook al lijkt ze dat wel te zijn. Je verandert niet van uiterlijk, hoewel je vaker glimlacht. Je voorhoofd is sereen, je ogen staan rustig. En degenen die door de wereld gaan zoals jij herkennen hun gelijken. Maar ook degenen die de weg nog niet hebben gezien herkennen jou, en geloven dat jij bent zoals zij, zoals je vroeger was (WdI.155.1). In het Handboek voor leraren is ook een paragraaf die dit aspect van ons proces bespreekt: “Hoe behoort een leraar van God zijn dag door te brengen?” (H16)

Het voornaamste punt is dat een denkgeest vereenzelvigd met liefde aan anderen verschijnt in een vorm die zonder angst aanvaard kan worden en waarmee anderen op een normale manier om kunnen gaan. Het doel van de denkgeest, of de inhoud is de belangrijkste factor, niet het gedrag. Vele gnostici gehoorzaamden met opzet niet aan de wetten van de wereld om te bewijzen dat de wereld niet werkelijk is. Welnu, door tegen de wereld te vechten, bewijzen ze juist het tegendeel. Als het je duidelijk is wat het verschil is tussen vorm (gedrag) en inhoud (denkgeest), ben je in staat in de wereld te leven en je aan haar regels te houden zonder de illusie in je denkgeest te versterken. “Het lichaam werd niet door liefde gemaakt. Toch veroordeelt de liefde het niet en kan ze het liefdevol gebruiken, omdat ze respect heeft voor wat de Zoon van God heeft gemaakt en dit aanwendt om hem van illusies te verlossen” (T18.VI.4:7-8). (Kenneth gaat dieper op deze verwarring in, zoals die wordt gevonden in de gnostiek, de ascetische tradities en andere visies, in twee van zijn boeken: Love does not condemn: The world, the flesh, and the devil according to Platonism, Christianity, Gnosticism and ‘A course in miracles” (Liefde oordeelt niet: De wereld het vlees en de duivel volgens het platonisme, het christendom, de gnostiek en ‘Een cursus in wonderen’) en The message of ‘A course in miracles’ – deel I: All are called; deel 2: Few choose to listen (De boodschap van Een cursus in wonderen – deel I: Allen zijn geroepen; deel 2: Weinigen verkiezen te luisteren. Hij toont ons hoe de Cursus de valstrikken vermijdt van verschillende morele tradities, en zo tot een formulering van een niet-normatieve of nieuwe moraliteit leidt).

Een cursus in wonderen is zeker niet het laatste dat over spiritualiteit wordt gezegd, aangezien hij zich richt tot degenen op de onderste sport van de spirituele ladder (d.w.z. wij allemaal), maar voor degenen die hem aanvaard hebben als hun terugweg naar huis, is hij meer dan voldoende. Daarom zegt Jezus aan het einde van de 365 lessen van het Werkboek: “Deze cursus is een begin, niet een einde” (W.Nw.1:1). We zijn er de rest van ons leven mee bezig om zijn onderricht in ons persoonlijk leven toe te passen. We hoeven anderen er niet van te overtuigen hun manier van leven te veranderen. Onze aandacht is alleen gericht op hoe we anderen en de wereld verkiezen waar te nemen: “Probeer dan ook niet de wereld te veranderen, maar kies ervoor je denken over de wereld te veranderen” (T21.In.1:7). Onze enige verantwoordelijkheid is de Verzoening voor onszelf te aanvaarden (T2.V.5:1). Als ik dat doe, weet ik dat iedereen het heeft gedaan, omdat het Zoonschap één geheel is. Zolang ik geloof dat anderen dat nog moeten doen, is mijn denkgeest nog niet genezen, want dan neem ik het Zoonschap nog steeds als versplinterd waar. Dat is het grote verschil tussen het onderricht van de Cursus en jouw overtuiging dat ‘als we een massabewustzijn hadden en op een gelijke manier zouden geloven, deze hele wereld zoals we die zien, zou verdwijnen, en het Zoonschap verenigd zou worden’. Als dat waar was, zou het Zoonschap werkelijk uit delen bestaan, en sommigen zouden het slachtoffer van anderen zijn omdat die anderen er nog altijd voor kiezen afgescheiden te blijven. Dat is beslist anders dan wat Jezus als essentieel doel had met het onderricht van de Cursus.

Nog een gedachte over Een cursus in wonderen en zijn ‘evolutie’: Het is onmogelijk met een brein/denkgeest die zo beperkt is als de onze, deze cursus ten volle te begrijpen. Deze cursus komt van een denkgeest die tijd en ruimte volledig overstijgt en geen grenzen kent. Nogmaals, dat is de reden dat de Cursus onderwijst dat het onze enige verantwoordelijkheid is de Verzoening voor onszelf te aanvaarden.

Tenslotte is er nog die lieflijke passage – het lijkt meer een lied dat Jezus zingt – die versmelt met jouw overtuiging dat als ‘een medebroeder iets goed doet voor een ander, dit tot in de eeuwigheid in Gods Denkgeest herinnerd zal worden’; we citeren een deel: “Hoe kun jij die zo heilig bent lijden? Heel je verleden is verdwenen op zijn schoonheid na, en niets blijft er over dan een zegen. Ik heb al je vriendelijkheden en elke liefdevolle gedachte die je ooit had, bewaard. Ik heb ze gezuiverd van de vergissingen die hun licht verborgen hielden, en ze voor jou in hun eigen volmaakte straling behouden. Ze liggen buiten het bereik van vernietiging en schuld. Ze waren afkomstig van de Heilige Geest in jou, en we weten dat wat God schept eeuwig is” (T5.IV.8:1-6).