Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1288 Kunnen mijn uiterlijke tegenslagen toegeschreven worden aan mijn gebrek aan vergeving?

 

Mijn leven werd gekenmerkt door moeilijkheden, misbruik en pijn. Op spiritueel vlak ben ik heel hard aan mezelf gaan werken door de principes van Een cursus in wonderen toe te passen. Ik dacht dat mijn uiterlijke leven zo dramatisch verbeterd was omdat ik spiritueel op de goede weg was. Toen ben ik – ‘niet door eigen schuld’ (bezuiniging en het sluiten van de firma) – mijn hele goede baan, mijn huis, mijn pensioenplan en zelfs mijn vrienden kwijtgeraakt. Ik heb een lange, heel donkere en boosaardige periode doorgemaakt en heb me helemaal van de Cursus, van Jezus en God afgekeerd. Uiteindelijk ben ik er doorheen gekomen en ik denk dat ik over het algemeen bereid ben geweest een paar vreselijke dingen in mezelf onder ogen te zien, evenals mijn duidelijke behoefte om slachtoffer te zijn. Ik denk dat ik me ook bereid heb getoond en een poging heb gedaan om anderen te vergeven en geprobeerd heb te geloven dat ik het niet verdien om gestraft te worden. Ik weet dat de Cursus niet zegt dat iemands uiterlijke omstandigheden zullen veranderen om overeen te stemmen met innerlijke veranderingen. Ik mag dat ook niet verwachten, maar ik ben beslist nog niet ver genoeg op de ladder gevorderd om de wens en de hoop helemaal op te geven dat er in mijn uiterlijke ervaringen op z’n minst nog iets positiefs gaat gebeuren. Ik begrijp niet wat er in mijn denkgeest is gebeurd waardoor mijn leven zo drastisch is veranderd, of waarom mijn innerlijke en uiterlijke pogingen geen enkele verschil gemaakt lijken te hebben. Kan dit allemaal gebeurd zijn omdat ik mij afgescheiden voel van anderen? Zo ja, hoe kan ik mijn waarneming dan echt bijstellen op een moment dat ik me meer dan ooit afgescheiden en anders voel? Kan mijn draaiboek veranderd worden?

Antwoord: In omstandigheden zoals die van jou is het echt moeilijk om je niet af te vragen: ‘Wat doe ik verkeerd?’ Maar dat is altijd de verkeerde vraag en het lijkt erop dat een deel van jou zich daar bewust van is. Het helpt je niet daar stil bij te blijven staan, ten eerste omdat er geen enkele manier is om te weten waarom je dit scenario hebt gekozen, en ten tweede, omdat de enige kwestie van belang, nu je deze omstandigheden meemaakt, is of je het ego of Jezus wilt uitnodigen om je gids te zijn en je te troosten. Dit leert Jezus over deze keuze:

“Verleiding kent één les die ze in al haar vormen wil onderwijzen, waar ze ook maar optreedt. Ze wil de heilige Zoon van God ervan overtuigen dat hij een lichaam is, is geboren in wat sterven moet, niet bij machte om aan de broosheid ervan te ontkomen, en gebonden door wat het hem gebiedt te voelen. Het legt beperkingen op aan wat hij vermag; de macht ervan is de enige kracht die hij heeft; zijn greep reikt niet verder dan het nietige bereik ervan. Zou jij dit willen zijn, als Christus jou in al Zijn glorie verscheen, en jou niets anders vroeg dan dit: Maak opnieuw de keuze of jij je plaats wilt innemen onder de verlossers van de wereld, of in de hel wilt blijven, en daar je broeders vasthouden wilt. Want Hij is gekomen, en Hij vraagt jou dit (T31.VIII.1).”

Het ego wil dat je naar buiten staart en bepaalt wat je niet hebt. Jezus wil dat je naar binnen kijkt en je vereenzelvigt met de schatten die onvoorwaardelijk de jouwe zijn. Het lijkt erop dat je de vrede van God, die niet afhangt van externe omstandigheden, al hebt ervaren, en nu vraagt een deel van jou zich af of dat volstaat om je te dragen – een normale weifeling voor een denkgeest die gespleten is door tweeledige trouw. In de les “Ik word gedragen door de Liefde van God” (WdI.50) vraagt Jezus ons te kijken naar waar we ons vertrouwen in hebben gesteld voor middelen van bestaan, geluk en bescherming. Een eerlijke beoordeling zal aan het licht brengen dat we ons vertrouwen stellen in alles wat ons voortbestaan als lichaam zal verbeteren of garanderen. Maar Jezus leert ons: “Al deze dingen zijn jouw substituten voor Gods Liefde” (WdI.50.2:1). Dat is de reden dat we, hoe succesvol we in wereldse termen ook lijken, nooit werkelijk gelukkig en vredevol zullen zijn – ons leven is een leugen, die ons dwingt de geweldige schuld en angst die die keuze met zich meebrengt, te verbergen.

Wat jou dan ook zou kunnen helpen, is dat je je ellendige toestand bekijkt als een vertrouwenscrisis: volstaat de vrede van God? Is Gods Liefde toereikend? Als je onvoorwaardelijk zou vertrouwen, zou je deze cursus niet nodig hebben; je zou geen leraar nodig hebben die je alleen om “een beetje bereidwilligheid” (T18.IV.2) vraagt. Je hoeft niet bovenaan de spirituele ladder te staan om dit toe te passen – Jezus benadert ons al in het begin van het Werkboek met deze les. Wat is een beter moment om met die les te werken dan wanneer je midden in het strijdgewoel zit? Op het moment dat wij weifelen, spoort Jezus ons zachtjes aan: “Blaas je falend ego geen leven in” (T17.V.8:4).

Het is duidelijk dat dit je niet aan een baan of geld zal helpen, of aan andere dingen die je zou willen hebben, en het is ook niet de bedoeling de frustratie te negeren dat je ondanks al je inspanningen geen baan kunt vinden. Deze cursus dient niet gebruikt te worden als middel om je verantwoordelijkheden in de wereld te ontlopen, onder het mom van spirituele vooruitgang, hoewel hij jammer genoeg door velen op die manier wordt gebruikt. Zijn doel is ons te helpen inzien dat het enige betekenisvolle aspect van ons leven is leren hoe we onze ervaringen kunnen gebruiken om in contact te komen met die inhoud van onze denkgeest waar we altijd voor kiezen. Als we steeds meer tegen het ego en voor Jezus en zijn denksysteem van vergeving kiezen, zullen we onze problemen op een totaal andere manier benaderen – niet dat we ze dan negeren, maar we geven er niet langer de macht aan de vrede te verstoren die ons definieert als Gods Zoon. Jezus moedigt ons zo aan:

“Het is je vast al opgevallen dat dit een uiterst praktische cursus is, een die precies bedoelt wat hij zegt. Ik zou je niet vragen iets te doen wat jij niet kunt, en het is onmogelijk dat ik iets kan wat jij niet kunt. Hiervan uitgaande, en wel heel letterlijk, is er niets wat jou kan weerhouden precies te doen wat ik vraag, en alles pleit ervoor dat je dat ook doet. Ik leg je geen beperkingen op, omdat God er jou geen oplegt” (T8.IX.8:1-4).