Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1208 Kan Jezus’ gebruik van het woord ‘grootheid’ misleidend zijn?

Ik vraag me af of Jezus ons met zijn gebruik van het woord ‘grootheid’ niet, in zekere zin, regelrecht in verzoeking leidt. Had hij niet het woord ‘belangrijkheid’ kunnen gebruiken, zoals in de metafoor van Indra’s net, waar iedereen als een spiegel is in een net van spiegels, zodat iedereen van totaal belang is? Kan het horen over grootheid, zoals het gewoonlijk begrepen wordt, niet regelrecht naar grootheidswaan leiden? Kan het spreken over iemands speciale functie ook niet tot grootheidswaan leiden?
Volgens mij is er enerzijds een voorzichtige verheffing van de zachtmoedige en ontvankelijke staat, en anderzijds, zoals ‘hoogmoed voor de val komt’, een onvermijdelijke koers naar grootheidswaan. Is het mogelijk dat, behalve de lessen van grootheidswaan eenvoudig te laten plaatsvinden, Jezus in deze Cursus door het gebruik van zo’n woord ons daar juist toe aanzet, als we die neiging hebben?

Antwoord: De aard van taal brengt met zich mee dat misvatting of misinterpretatie altijd mogelijk is, en dat geldt natuurlijk ook voor de concepten en symbolen die Jezus in Een cursus in wonderen gebruikt. En het is zeker niet zo dat hij zich niet bewust is van de dubbelzinnigheid van woorden en de mogelijkheid van verwarring daardoor, want hij zegt over woorden dat “die zijn gemaakt door afgescheiden denkgeesten om hen in de illusie van afgescheidenheid te houden” (H21.1:7). En dus is jouw vraag of een woord als grootheid een verhoogd risico voor verkeerde uitleg en misbruik inhoudt.

Voor de hele Cursus geldt dat het essentieel is te begrijpen tot wie Jezus zich richt en wat zijn doel is. Als we vrijwel alle passages lezen vanuit het onjuiste perspectief dat we het lichaam zijn, zullen we ze verkeerd begrijpen en kunnen we ze gebruiken om onze speciaalheid te versterken. Denk bijvoorbeeld aan: “Ik ben het licht van de wereld” (WdI.61 titel) of “De verlossing van de wereld hangt af van mij” (WdI.186 titel). Van beide zou je kunnen zeggen dat ze onze speciale functie beschrijven. Jezus laat op deze beide titels, waarmee het ego de dag van zijn leven zou hebben, ophelderingen volgen die heel duidelijk maken dat hij weet wat ons ego graag met deze uitspraken zou doen. Maar hij richt zich niet tot het zelf dat we denken te zijn. Bovendien legt hij uit dat niet nederigheid, maar arrogantie deze uitspraken over onszelf zou ontkennen.

Zo zegt hij bijvoorbeeld in les 61: “Wie anders is het licht van de wereld dan Gods Zoon? Dit is dan ook niets anders dan een uitdrukking van de waarheid over jezelf. Het is het tegendeel van een uitdrukking van trots, hoogmoed of zelfbedrog. Het beschrijft niet het beeld dat jij van jezelf hebt gevormd. Het verwijst naar geen enkel kenmerk waarmee jij je afgoden hebt toegerust. Het verwijst naar jou zoals jij door God werd geschapen. Het drukt eenvoudig de waarheid uit. Voor het ego is het idee van vandaag het toppunt van zelfverheerlijking. Maar het ego begrijpt niet wat nederigheid is en verwart dit met zelfvernedering. Nederigheid houdt in dat je jouw rol in de verlossing aanvaardt en geen andere op je neemt” (WdI.61.1,2:1-3; cursivering toegevoegd).

In les 186 legt Jezus het op dezelfde manier uit, maar paradoxaal genoeg vanuit een egoperspectief: “Dit is de uitspraak die alle arrogantie eens uit elke denkgeest weg zal nemen. Dit is de gedachte van ware nederigheid, die geen andere functie als de jouwe neemt dan die jou gegeven is. … Onze denkgeest is volmaakt toegerust om de taak op zich te nemen die ons is toegewezen door Iemand die ons goed kent. … Het idee van vandaag … Vraagt niet dat je op enigerlei wijze anders bent dan jij bent. Wat zou nederigheid anders kunnen vragen dan dit? En wat zou arrogantie anders kunnen weigeren dan dit? … Arrogantie maakt een beeld van jezelf dat niet werkelijk is. … De verlossing van de wereld hangt af van jou en niet van dit hoopje stof” (WdI.186.1:1-2; 2:7; 3:1,3-5; 6:1;7:4; cursivering toegevoegd).

Dus als we het over het concept ‘grootheid’ hebben, moeten we begrijpen dat Jezus het gebruikt als een correctie voor het geloof in kleinheid: “want de afscheiding was een afdaling van grootheid naar kleinheid” (T10.IV.8:5). Kleinheid verwijst naar ons geloof over onszelf dat voortkomt uit ons geloof dat we afgescheiden zijn van het grote en glorieuze Geheel dat onze werkelijkheid is. Dat culmineert erin dat we onszelf ervaren als machteloze lichamen en persoonlijkheden, begrensd in ons bestaan tot een beperkte ruimte in een lichaam dat leeft binnen een heel kort tijdsinterval. Als we dan de Cursus lezen vanuit het perspectief van dit onjuiste ego-zelf dat ons als lichaam ziet (en bijna zeker doen de meesten van ons dat in het begin) dan zullen we, wanneer Jezus probeert de waarheid met ons te delen, zijn woorden zeker verkeerd interpreteren. Want de grootheid die Jezus beschrijft verwijst naar onze denkgeest, wanneer we niet langer beperkt worden door al onze onjuiste overtuigingen over afscheiding en de ogenschijnlijke gevolgen daarvan.

Hoewel het kan lijken alsof Jezus ons rechtstreeks in verzoeking leidt, omdat hij weet door welke onjuiste overtuigingen onze denkgeest beperkt lijkt te zijn, heeft zijn ogenschijnlijke verleiding van ons ego toch een waardevol pedagogisch doel. Want als we oprechte studenten van de Cursus zijn, zal zich bij ons een groeiend bewustzijn ontwikkelen van de pogingen van ons ego tot grootheidswaan. En in onze juist-gerichte denkgeest zullen we herkennen dat er iets mis is als we in onze eigen speciaalheid geloven. We kunnen onszelf alleen voor de gek houden zolang we dat wensen. En alleen door rechtstreeks naar de bedrieglijke manipulaties en inspanningen van het ego te kijken (inclusief zijn pogingen om de Cursus te integreren voor zijn eigen doel) zullen we in staat zijn om een andere keuze te leren maken, tégen al de verschillende vormen van kleinheid die het ego ons biedt. Jezus is er duidelijk over dat we de keuze tegen kleinheid niet alleen kunnen maken.

Dus zegt hij: “Wees niet tevreden met kleinheid. Maar vergewis je ervan dat jij begrijpt wat kleinheid betekent, en waarom je er nooit tevreden mee zou kunnen zijn. Kleinheid is de gift die jij jezelf geeft. Je geeft die in de plaats van grootheid, en je accepteert die. Alles in deze wereld is klein, want het is een wereld die uit kleinheid is gemaakt, in de vreemde overtuiging dat kleinheid jou tevreden kan stellen. Wanneer je wat ook in deze wereld nastreeft in de overtuiging dat het je vrede zal brengen, kleineer jij jezelf en maak je jezelf blind voor je heerlijkheid. Kleinheid en heerlijkheid zijn de keuzen die voor jouw streven en waakzaamheid openstaan. Je zult steeds het ene kiezen ten koste van het andere. … Heel je streven dient tegen kleinheid te zijn gericht, want er is wel degelijk waakzaamheid voor nodig om jouw grootheid in deze wereld te beschermen. Je in een wereld van kleinheid volmaakt bewust blijven van je grootheid is een taak die de kleinen niet op zich kunnen nemen. Toch wordt dat van jou gevraagd, als huldeblijk aan jouw grootheid en niet je kleinheid. Het wordt ook niet van jou alleen gevraagd. Elke moeite die jij je getroost ten behoeve van Zijn geliefde Zoon zal gesteund worden door de macht van God. … Probeer wanneer je oefent ieder plan op te geven dat jij hebt aanvaard om grootheid in kleinheid te vinden. Daar is ze niet. Maak van het heilig ogenblik enkel gebruik om in te zien dat jij alléén niet kunt weten waar ze is en slechts jezelf kunt misleiden” (T15.III.1; 4:4-8; IV.4:5-7).

Als je deze paragrafen eerlijk leest dan kun je de pogingen van het ego om grootheid als een aspect van het beperkte zelf te interpreteren alleen maar blootleggen. En als je er nog steeds voor kiest om dergelijke passages op die manier te interpreteren, dan betekent dat gewoon dat je nog steeds té bang bent om de onbeperkte grootheid van de Heelheid die Jezus ons aanbiedt te aanvaarden. En dat mag dan wel dwaas zijn, maar het is geen zonde.