Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1378 Als iemand het lichaam veracht, is dat dan het bewijs van een gespleten denkgeest?

Is het mogelijk om het lichaam en alle lelijkheid van het ego waar het voor staat, te haten en toch de denkgeest/geest lief te hebben omwille van al zijn genezen heelheid? Of is dit gewoon meer bewijs van een zeer gespleten denkgeest?

Antwoord: Het lichaam haten betekent het gevolg (het lichaam) verwarren met de oorzaak (de denkgeest), en zo onbewust blijven van de denkgeest. Dat is de zekerste manier om een gespleten denkgeest in stand te houden. Jezus maakt duidelijk dat we alleen maar denken dat we het lichaam haten: "Je hebt je schuld verschoven van je denkgeest naar je lichaam. Maar een lichaam kan niet schuldig zijn, want het kan uit zichzelf niets doen. Jij die je lichaam denkt te haten, misleidt jezelf. Je haat je denkgeest, want er is schuld in doorgedrongen, en hij wil afgescheiden blijven van de denkgeest van je broeder, wat hij niet kan" (T18.VI.2:5-8).

Jezus gaat verder met te beschrijven hoe waanzinnig het is het lichaam te haten, aangezien het alleen maar enig doel kan dienen dat onze denkgeest eraan toekent. “Het is waanzin het lichaam als de zondebok voor schuld te gebruiken, omdat jij zijn aanval leidt, en het de schuld geeft van wat jij wenste dat het deed… Want fantasieën hebben je lichaam tot jouw ‘vijand’ gemaakt: zwak, kwetsbaar en verraderlijk, en de haat waardig die jij erin investeert. Hoe heeft dit jou gediend? Jij hebt je vereenzelvigd met dit ding dat je haat, het werktuig voor wraak en de vermeende bron van je schuld. Je hebt dit met een ding gedaan dat geen betekenis heeft, hebt het tot woonplaats van Gods Zoon uitgeroepen, en het tegen hem gekeerd" (T18.VI.6:1,5-8; cursief toegevoegd ).

En later legt hij zeer uitgebreid uit: "Jij stuurt het [lichaam] eropuit om afscheiding te zoeken en afgescheiden te zijn. En vervolgens haat je het, niet om wat het is, maar om het gebruik dat jij ervan hebt gemaakt. Jij deinst terug voor wat het ziet en hoort, en je haat zijn broosheid en kleinheid. En je veracht zijn daden, maar niet die van jou. Het ziet en handelt namens jou. Het hoort jouw stem. En naar jouw wens is het broos en klein. Het lijkt jou te straffen, en verdient zodoende jouw haat vanwege de beperkingen die het jou bezorgt. Toch heb jij het tot symbool gemaakt van de beperkingen die jij wilt dat jouw denkgeest bezit en ziet en behoudt. Het lichaam vertegenwoordigt de kloof tussen het kleine beetje denkgeest dat jij het jouwe noemt en heel de rest dat werkelijk het jouwe is. Je haat het, en toch denk je dat het jouw zelf is, en dat zonder het lichaam jouw zelf verloren zou zijn" (T28.VI.3:2-10; 4:1-2).

Hoewel het lichaam gemaakt is om ons ervan te overtuigen dat we afgescheiden zijn, kan het eenvoudigweg als neutraal worden gezien (WdII.294). "Zijn neutraliteit beschermt het [lichaam] zolang het bruikbaar is. En nadien, als het geen doel meer dient, wordt het terzijde gelegd. Het is niet ziek, of oud, of beschadigd. Het is slechts functieloos en overbodig, en wordt afgedankt… Wat niet geschapen is, kan zondig noch zondeloos zijn, goed noch slecht." (WdII.294.1:6-9; 2:2).

Maar om het lichaam als neutraal te kunnen zien, moeten we ons eigen doel, dat ons ego eraan toekent, loslaten. Uiteindelijk maakt het geen verschil of we het lichaam haten of liefhebben, omdat beide gevoelens simpelweg de ego-illusie in onze denkgeest levend en werkelijk houdt. "Sommigen haten het lichaam en proberen het te kwetsen en te vernederen. Anderen hebben het lichaam lief en proberen het te verheerlijken en op te hemelen. Maar zolang het lichaam in het centrum van jouw zelfbeeld staat, ben jij bezig Gods verlossingsplan aan te vallen en koester je grieven jegens Hem en Zijn schepping, zodat je de Stem van de waarheid niet kunt horen en Die als Vriend verwelkomen."(WdI.72.7:2-4).

Want het lichaam haten of liefhebben is reageren op niets en hardnekkig volhouden dat het íets is, en hierbij Gods volmaakte Eenzijn ontkennen: "Het lichaam dat gevraagd wordt een god te zijn zal worden aangevallen, omdat zijn nietsheid niet werd onderkend. En zo lijkt het een ding met macht in zichzelf. Als zodanig kan het worden waargenomen, en gezien als iets dat voelt en handelt, en jou in zijn greep houdt als gevangene voor zichzelf. En het kan nalaten te zijn wat jij eiste dat het was. En je zult het haten om zijn nietigheid, zonder te bedenken dat deze nalatigheid niet schuilt in het feit dat het niet méér is dan het zou moeten zijn, maar alleen in het feit dat jij nalaat te zien dat het niets is. Toch is zijn nietsheid jouw verlossing, en juist die wil jij ontvluchten. Als 'iets' wordt het lichaam gevraagd Gods vijand te zijn, door wat Hij is te vervangen door nietigheid, beperking en wanhoop. Zíjn verlies is het wat je viert wanneer jij het lichaam ziet als een ding dat je liefhebt, of het beziet als iets wat je haat. Want als Hij de som van alles is, dan bestaat iets wat niet in Hem is niet, en betekent Zijn compleetheid de nietsheid daarvan" (T29.II.9, 10:1-3).

Wij zijn niet degenen die het lichaam zijn nieuwe doel geven. Wij aanvaarden eenvoudigweg dat het een ander doel kan dienen dan dat wij eraan toegekend hebben, door het te bevrijden van de oordelen van het ego waarmee we het gebonden hebben. Jezus verzekert ons "Wees allerminst verontrust wanneer je nadenkt over hoe Hij de rol van middel en doel zo makkelijk kan veranderen in wat God liefheeft en voor eeuwig wil dat vrij is. Maar wees eerder dankbaar dat jij het middel kunt zijn om Zijn doel te dienen. Dat is de enige dienstbaarheid die tot vrijheid leidt. Om dit doel te dienen moet het lichaam als zondeloos worden gezien, want zondeloosheid is het doel. Het ontbreken van tegenstrijdigheid maakt de zachte overgang van middel naar doel even makkelijk als de omslag van haat naar dankbaarheid voor vergevende ogen. Je zult door je broeder worden geheiligd, door je lichaam alleen te gebruiken om de zondelozen te dienen. En het zal onmogelijk zijn dat jij haat wat hem dienstbaar is die jij genezen wilt”.(T22.VI.3).

Zolang we het lichaam haten, evenals dat wat het ego ervan heeft gemaakt om zichzelf te vertegenwoordigen, kunnen we de denkgeest/geest niet werkelijk liefhebben omwille van zijn genezen heelheid. Want de genezen denkgeest kan gedachten van zonde en hun schijnbare gevolgen – inclusief het lichaam – alleen maar bezien met een zachte glimlach vanwege de dwaasheid van dit alles. Met deze verschuiving kan "het lichaam (…) een teken van leven worden, een belofte van verlossing, en een vleugje onsterfelijkheid voor degenen die het beu zijn de kwalijke geur des doods op te snuiven. Laat genezing dan zijn doel zijn. Dan zal het de boodschap uitzenden die het ontvangen heeft, en door zijn gezondheid en lieflijkheid de waarheid en de waarde verkondigen die het vertegenwoordigt. Laat het de kracht ontvangen een oneindig leven te vertegenwoordigen, voor eeuwig van alle aanval vrij… De eenvoudigste manier om dit te bereiken is de volgende: het lichaam geen doel meer te laten hebben uit het verleden, toen je zeker meende te weten dat zijn doel het aanwakkeren was van schuld. Want dit houdt vol dat je kromme beeld een blijvend teken is van wat het vertegenwoordigt. Dit laat geen ruimte vrij om er een verschillende zienswijze, een ander doel aan te kunnen geven. Je kent zijn doel niet. Je hebt slechts illusies van een doel gegeven aan een ding dat jij gemaakt hebt om jouw functie verborgen te houden voor jezelf. Dit ding zonder doel kan de functie niet verbergen die de Heilige Geest gegeven heeft. Laat dan ook toe dat zijn bedoeling en jouw functie eindelijk met elkaar worden verenigd, en als één worden gezien" (T27.I.10:3-6; 11).