Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1339 Aanvallen op geliefden en familie

Iets wat me bezighoudt, zijn mijn aanvallen op mensen die dicht bij me staan, zoals familie en vrienden. Zoals de Engelse uitdrukking zegt: ‘Het vertrouwde wordt veracht’. Wat zegt de Cursus over het feit dat wij diegenen aanvallen van wie we afhankelijk zijn?

Antwoord: Een cursus in wonderen onderwijst consistent dat aanval altijd van het ego komt, ongeacht de omstandigheden en de persoon of personen op wie de aanval is gericht. De behoefte om anderen aan te vallen komt voort uit het feit dat wij onszelf – meestal onbewust – waarnemen als schuldige zondaars, die zélf een aanval verdienen omdat we niet vergeven kunnen worden. Daarom projecteren we deze zelfbeschuldiging op anderen en voelen ons gerechtvaardigd in onze aanval op hen: “Als je zelf niet geloofde dat je een aanval verdiende, zou het helemaal nooit in je opkomen iemand aan te vallen. Waarom zou je ook? Wat zou je erbij winnen? Wat zou het resultaat kunnen zijn dat jij wensen zou? En hoe zou moord jou tot voordeel kunnen strekken?” (T.31.III.2:7-11) In deze paragraaf in het Tekstboek, “Wie zichzelf beschuldigt”, staat een weergave van deze essentiële dynamiek, die past binnen de strategie van het ego om onze aandacht weg te houden van de denkgeest. Want dáár, in onze denkgeest, kunnen onze verkeerde zienswijzen over onszelf genezen worden. In plaats daarvan vestigt het ego de aandacht op de lichamen en daden van anderen, die overduidelijk de oorzaak lijken te zijn van onze problemen en ellende.

De vijandigheid die we voelen voor hen van wie we afhankelijk zijn, is een specifiek aspect van deze dynamiek. Dit soort vijandigheid kan met een bepaalde stof of substantie worden geassocieerd en zelfs met medische techniek (er zijn gevallen bekend van mensen die hun dialyse apparaat als hun vijand begonnen te zien). In relaties waarin sprake is van afhankelijkheid wordt een zeer diep gevoel van kwetsbaarheid en bedreiging opgeroepen. Met andere woorden: afhankelijk zijn van anderen brengt de onzekere aard van ons bestaan aan het licht – het gegeven dat we niet zelfvoorzienend zijn. Daarom willen we diegenen aanvallen die onze zwaktes en beperkingen blootleggen. Het conflict kan behoorlijk intens worden, want hoe graag we deze mensen ook willen vernietigen, we weten dat we er niet mee door kunnen gaan; we hebben hen immers nodig. Daarom zoeken we andere manieren om onze vijandigheid uit te leven, bijvoorbeeld door passieve agressie.

Een andere reden voor de vijandigheid, vanuit de Cursus gezien, is dat we denken dat die anderen iets hebben wat wij missen. En wij beschuldigen hen er stilletjes van dat zij dat van ons gestolen hebben – de vierde wet van de chaos volgens het krankzinnige denksysteem van het ego (T23.II.9.10.11). Deze dynamiek van het ego geeft ons de overtuiging dat onze kwaadheid en aanval gerechtvaardigd zijn, als een vorm van zelfverdediging; we voelen ons volkomen onschuldig in onze aanval teneinde terug te krijgen wat ons rechtmatig toebehoort.

We hebben allemaal te maken met afhankelijkheidskwesties, want op die manier is het lichaam gemaakt, zowel in fysieke als psychologische zin. We hebben allemaal fysieke en psychologische basisbehoeften waaraan voldaan moet worden om te kunnen overleven. De geheime bedoeling van het ego is natuurlijk om ons stevig geworteld te houden in de wereld en het lichaam, zodat we ons nooit tot de denkgeest zullen wenden. Want daar, in de denkgeest, is de kans bijzonder groot dat we inzien dat onze overtuigingen over onszelf onjuist zijn. En tevens ontdekken we daar onze ware en enige behoefte: het ongedaan maken van de valse overtuiging dat we onszelf hebben afgescheiden van onze Schepper, als een daad van buitengewoon egoïsme. Dus begint het ongedaan maken van het ego met onze bereidwilligheid om samen met Jezus te kijken naar de krankzinnigheid van dit denksysteem - broedplaats van dergelijke overtuigingen en attitudes - en vervolgens hem te vragen ons te helpen om in plaats daarvan zíjn denksysteem te aanvaarden. Jezus zelf zegt dat onze afhankelijkheid van hem als onze leraar slechts tijdelijk is, omdat het zijn doel is ons te helpen om het punt van spirituele ontwikkeling te bereiken waar we ons er weer van bewust worden dat we allemaal de ene Zoon van God zijn: “Er is niets aan mij wat jij niet kunt bereiken. Ik heb niets wat niet van God afkomstig is. Het huidige verschil tussen ons is dat ik niets ánders heb. Daardoor verkeer ik in een toestand die in jou alleen potentieel aanwezig is” (T1.II.3:10-13).