Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1331 Ik wil hier niet meer zijn na het bestuderen van de Cursus

Ik ben al heel lang bezig met studie van de Cursus en daarom vind ik het vreemd dat ik deze gedachte heb: “Ik wil hier echt niet meer zijn”. Ik voel dit dagelijks, heel diep en heel vaak. Het laat me niet los. Nu weet ik wel dat de Cursus gaat over ‘van gedachten veranderen’ en niet over ‘ergens anders heen gaan’. Ik begrijp ook dat zelfmoord geen uitweg is omdat de dood van het lichaam niets oplost. Misschien is het diepe verlangen om deze wereld te verlaten in wezen een weerspiegeling van de wens om te ontsnappen aan de ellende die het hebben van een ego met zich meebrengt – maar dit proces duurt zo vreselijk lang. Kun je me hiermee helpen?

Antwoord: Onderkennen dat je hier niet wilt zijn is niet alleen een normaal en voorspelbaar gevolg van het bestuderen van Een cursus in wonderen, het is zelfs cruciaal. Keer op keer vertelt de Cursus ons dat deze wereld niet ons thuis is. Het aanhoudende gevoel hier niet te willen zijn, wordt er zelfs prachtig in beschreven: “....er is een Kind in jou dat het huis van Zijn Vader zoekt en weet dat Hij hier vreemd is... Het is dit Kind dat Zijn Vader kent. Het verlangt er zo intens, zo onophoudelijk naar om naar huis te gaan dat Zijn stem jou toeroept Hem even te laten uitrusten… Het fluistert tegen je over zijn thuis, onophoudelijk.” (WdI.182.4:3; 5:2,3; 7:4)

Deze stem die onophoudelijk tot ons spreekt houden we meestal een heel leven lang diep begraven. Daarom kunnen de pogingen van Jezus in de Cursus om hem naar ons bewustzijn te brengen, ervaren worden als nogal schokkend. Het kan tegelijkertijd zowel een troost zijn dat hij precies weet hoe we ons voelen, als beangstigend - omdat we nu een waarheid moeten erkennen die het hele fundament bedreigt van wie we denken te zijn. Gelukkig bevat de Cursus nog een andere boodschap, die deze situatie draaglijk maakt. Jezus leert ons dat we hier niet zijn: “Er is helemaal niets gebeurd, behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was” (T28.II.4:1). Vervolgens leert hij ons dat – omdat het alleen maar een droom is – wij zelf bepalen wat de inhoud van de droom is: “...zolang je nog slaapt, is er een keuze aan dromen, afhankelijk van de bedoeling van je dromen. Een droom lijkt in die zin op een herinnering dat hij uitbeeldt wat jij getoond wilt zien”. (T28.II.4:3,5)

Dit is de sleutel waarmee we het gevoel dat we hier niet meer willen zijn het hoofd kunnen bieden, en uiteindelijk verlichting vinden van de pijn die dit geeft. Het ego wil dat wij onze wens om hier niet te zijn interpreteren als een verlangen om deze fysieke wereld te verlaten – een per definitie zinloze poging omdat er geen fysieke wereld is om uit te ontsnappen. De Heilige Geest daarentegen zal deze wens herinterpreteren als het volkomen zinnige en bereikbare verlangen om te ontwaken en onze geestesgesteldheid te verlaten, de toestand van de denkgeest die ons niets dan pijn gebracht heeft. Door de gedachte ‘Ik wil hier niet meer zijn’ aan de Heilige Geest te geven, kan deze getransformeerd worden van een wanhopige jammerklacht over wat onze uiterlijke situatie lijkt te zijn, in een inspirerende roep om wakker te worden en onze innerlijke situatie te veranderen. En tijdens dit proces lijkt de wereld te veranderen van een goddeloze gevangenis in een wonderbaarlijk klaslokaal.

Wanneer we in de verleiding komen ons hier gevangen te voelen, bedreigd door schijnbaar wrede krachten van buitenaf en gefrustreerd door een spirituele reis die traag en hobbelig voelt, dan doen we er goed aan ons de volgende woorden te herinneren: “...er moet een andere manier zijn om ernaar [de wereld] te kijken. Ik zie alles op zijn kop, en mijn gedachten zijn het tegendeel van de waarheid. Ik zie de wereld als een gevangenis voor Gods Zoon. Dan moet het wel zo zijn dat in werkelijkheid de wereld een plaats is waar hij kan worden bevrijd. Ik wil de wereld zien zoals die is, en wel als een plaats waar de Zoon van God zijn vrijheid vindt” (WdI.57.3).