Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1322 Hoe herken ik het goede?

Het lijkt of Een cursus in wonderen zichzelf tegenspreekt, of misschien ligt het aan mijn begrip ervan. De Cursus zegt dat het lijden in onze droom een afspiegeling is van het lijden dat veroorzaakt wordt door de schuld in onze denkgeest. En het prettige gevolg van een genezen denkgeest is een gelukkige droom. Aan de andere kant zegt de Cursus dat onze slechte tijden binnen de droom een afspiegeling zijn van onze onbewuste schuld, en ons van deze schuld bewust maken. Door ons hiervan bewust te worden kunnen we vergeven en loslaten. Wanneer we daartoe in staat zijn, brengt onze onschuldige denkgeest de weldadige gevolgen hiervan als een weerspiegeling naar buiten, zolang we nog geloven hier te zijn. Waarom zouden we dan twijfels hebben bij de goede tijden in onze droom, en denken dat ze alleen maar onze onbewuste schuld bedekken? Met andere woorden: hoe stellen we vast of de zegeningen binnen onze droom de schuld bedekken of dat ze gewoon de weldadige gevolgen zijn van een juiste gerichtheid-van-denken en van een genezen denkgeest? En klopt het dat de meeste mensen geloven dat hun lijden hen dichter bij God brengt dan een droom over gezondheid, overvloed en vreugde?

Antwoord: Goede vraag! Veel studenten ervaren dit als verwarrend. Wat helpt is om vorm en inhoud van elkaar te scheiden. Een gelukkige droom in Een cursus in wonderen is een staat van de denkgeest (inhoud) waarin je de Heilige Geest als je Leraar hebt gekozen en alleen maar waarde hecht aan Zijn doel voor alles. Hoewel nog steeds binnen de illusie, wordt het een gelukkige droom genoemd omdat het - in plaats van de egodroom van oordeel, veroordeling en eigenbelang - een juist gerichte droom is van vergeving, medeleven en een gedeeld doel. Dit bevindt zich allemaal binnen de denkgeest: het is zijn inhoud.

Als de gelukkige droom eenmaal is bereikt, ben je altijd in vrede: elk gevoel van tekort is verdwenen; er is geen schuld of zelfhaat en er is geen behoefte aan projectie of aan andere verdedigingen. En wat het belangrijkste is in verband met je vraag: je bent niet bezorgd over iets dat zich buiten je lijkt te bevinden; je doet geen pogingen om zaken naar je hand te zetten in de wereld of om datgene te verkrijgen wat de wereld als geluk of zegening beschouwt. Je vrede en geluk zijn niet afhankelijk van iets buiten je. Ook wordt niets persoonlijk opgevat – noch de zogenaamde ‘goede tijden’ noch de zogenaamde ‘slechte tijden’, want niets wordt in zulke termen waargenomen. Jezus zegt dit op vele manieren in de Cursus. Een ervan vind je in de paragraaf “Boven het slagveld”: “Bedenk wat er wordt gegeven aan hen die hun Vaders doel delen, en weten dat dit het hunne is. Ze komen niets te kort. Ieder soort verdriet is ondenkbaar… Ze weten dat het onmogelijk is dat hun geluk ooit enige vorm van verandering zou kunnen ondergaan… Niemand die weet dat hij alles heeft kan naar beperking streven, of waarde hechten aan wat het lichaam biedt.”(T23.IV.8:1,2,3,6; 9:4)

Het is inderdaad zo dat, als er geen schuld in je denkgeest is, je er niet meer op uit bent om jezelf op een of andere manier te straffen. Maar hoe dat er in de vorm uitziet kun je niet weten. Je kunt het niet beoordelen volgens wereldse normen. Zo gebeurden er naar het oordeel van de wereld tamelijk afschuwelijke dingen met Jezus’ lichaam, maar hij leed er niet onder, omdat hij wist dat hij zijn lichaam niet was. Hij heeft zichzelf nooit als vervolgd of verraden gezien (zie T6.I.5,9,11). Dus we moeten voorzichtig zijn met het trekken van conclusies alleen maar op grond van de staat van iemands lichaam of levensomstandigheden (vorm). En het is goed hierbij ook de kern van de leer van de Cursus in gedachten te houden, namelijk dat waarneming altijd een interpretatie is.

Een ander voorbeeld: De projectie van mijn schuld op mijn lichaam kan wellicht de bron van mijn ziekte zijn, maar vervolgens zou ik die schuld kunnen loslaten en ervoor kiezen om – vanuit diezelfde lichaamsgesteldheid – vervolglessen te leren. Met andere woorden: mijn ziekte is nu mijn klaslokaal en daardoor zou ik de ziekte volkomen anders waarnemen. De ziekte kan mijn lichaam teisteren, maar als ik gedurende mijn ziekteproces leer ik dat ik mijn lichaam niet ben en dat niemand zijn lichaam is, zou ik mijn ziekte niet als iets negatiefs ervaren, zelfs wanneer ik evengoed doorga met medische behandelingen. De inhoud in mijn denkgeest zou verschoven zijn. Wat me dichter bij God brengt is dus niet het lijden, maar het doel dat ik hieraan gegeven heb en dat ik in mijn denkgeest heb gekozen. Maar ook met een gezond lichaam kan ik kiezen voor hetzelfde doel – het ongedaan maken van de afscheiding. Net zozeer ik kan hiervoor kiezen in een financieel veilige situatie, of juist wanneer ik worstel met financiële problemen. Nog een voorbeeld: een genezen denkgeest zou ervoor kunnen kiezen zich te manifesteren in een ziek of een gehandicapt lichaam als middel om anderen te leren dat je vrede kunt ervaren, ongeacht wat er uiterlijk plaatsvindt. Zo’n denkgeest zou te allen tijde volkomen in vrede zijn (inhoud), in een situatie die de wereld ‘ongeluk’ zou noemen (vorm).

Deze blijvende staat van vrede is het ‘weldadige gevolg’ van een genezen denkgeest. In deze staat weet je dat niets anders werkelijk is en dat niets deze vrede kan beïnvloeden, op geen enkele manier. Verder zou je leven waarschijnlijk niet te onderscheiden zijn van dat van iemand anders, al zul je wat vaker glimlachen (WdI.155:1). Aan de andere kant, wanneer de staat van je denkgeest bepaald wordt door uiterlijke omstandigheden, dan lijkt het erop dat er enige dynamiek van het ego werkzaam is. Als je alleen maar gelukkig en tevreden bent onder bepaalde omstandigheden, en je geluk en tevredenheid worden bedreigd of verdwijnen wanneer deze omstandigheden veranderen, dan betekent dit dat het geluk niet echt is. De vreugde en vrede die God voor ons bedoeld heeft als Zijn schepping, zijn eeuwig. Ze zijn niet voorwaardelijk en veranderen niet: ze zijn immers onze Identiteit, die verenigd is met de Zijne. In les 133 geeft Jezus ons enige criteria die we kunnen gebruiken om vast te stellen of wat we kiezen waardevol is of niet (WdI.133). De enige werkelijke zegeningen zijn de zegeningen die ons opnieuw bewust maken van de alomvattendheid van liefde, de alomvattendheid van het Zoonschap.