Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1235 De dromer van de droom

Kun je alsjeblieft de volgende passages uit het Tekstboek van Een cursus in wonderen uitleggen, die ernaar verwijzen dat je in de droom van iemand anders bent: (T27.VII.8:2; T28.II.4:1).

Antwoord: Het is belangrijk te beseffen dat Jezus metaforen gebruikt als hij erover spreekt dat we dromen en ontwaken. Het is voor ons allemaal een heel vertrouwde ervaring dat we ’s nachts dromen en bij het ontwaken tot het besef komen: “Oh, het was maar een droom! Het was niet werkelijk.” Omdat we dit allemaal ervaren en er vertrouwd mee zijn, beschrijft Jezus onze spirituele reis als zo’n ervaring.

De eerste passage staat in de paragraaf “De dromer van de droom” (T27.VII) waarin er op gewezen wordt dat we maar op één manier kunnen ontwaken: door te leren dat ons leven zich alleen ontvouwt in een droom die we zelf dromen. Het lijkt alsof veel van wat in ons leven gebeurt, ons wordt aangedaan, en daar verwijst Jezus naar wanneer hij zegt dat we een deel worden van iemand anders’ droom – dat we onszelf als slachtoffer zien van wat anderen en de wereld ons aandoen. Maar als jij je er tijdens het dromen bewust van wordt dat je droomt (een heldere dromer), dan ben je uiteindelijk in staat je dromen onder controle te krijgen en ze zo te maken als jij ze wilt hebben. Aan het einde van dit hoofdstuk vat Jezus dit nogal krachtig samen: “Het geheim van de verlossing is slechts dit: dat jij dit jezelf aandoet. Wat ook de vorm van de aanval is, dit is nog steeds waar. … Je zou namelijk helemaal niet reageren op figuren in een droom waarvan je wist dat je die droomde. Laat ze zo haatdragend en kwaadaardig zijn als ze maar zijn, ze kunnen geen effect op jou hebben, behalve wanneer jij naliet in te zien dat het jouw droom is” (T27.VIII.10:1-2,5,6).

De tweede paragraaf waar jij naar verwijst staat in “Het omkeren van gevolg en oorzaak” (T28.II), en er wordt ongeveer op hetzelfde gewezen – dat we onze rol als denkgeest die beslissingen neemt (de oorzaak) niet hebben opgenomen en in plaats daarvan onze ervaring zien als het gevolg van wat ons is aangedaan: “Er is helemaal niets gebeurd behalve dat jij jezelf in slaap hebt gebracht, en een droom hebt gedroomd waarin jij voor jezelf een vreemde was, en slechts een deel van iemand anders’ droom” (T28.II.4:1). Zoals we onszelf momenteel kennen, zijn we zowel een vreemde voor ons ware Zelf als Christus (“jij [hebt] jezelf in slaap gebracht”), als voor de macht in onze gespleten denkgeest om onze vereenzelviging met het denksysteem van het ego te veranderen in die met het denksysteem van vergeving van de Heilige Geest.

Als we onze gedachten omkeren dat we slachtoffers zijn van wat anderen ons aandoen (d.w.z. dat we deel zijn van iemand anders’ droom), dan beginnen we met het proces om onze rol als denkgeest die beslissingen neemt weer op te nemen. Jezus gebruikt opnieuw de metafoor van het dromen als hij zegt: “Als jij echter de dromer bent, zie je op zijn minst het volgende: dat jij de droom veroorzaakt hebt, en evengoed een andere droom kunt toelaten” (T28.II.5:2). Jezus onderwijst ons dan verder over de rol van het wonder in dit proces: “Het wonder stelt vast dat je een droom droomt waarvan de inhoud niet waar is” (T28.II.7:1). Deze verschuiving geeft ons de vrijheid verder te gaan met het verwijderen van alles wat in de weg staat om ons de Liefde te herinneren waarin we werden geschapen en waarin we voor altijd blijven.