Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1086 Wie is precies het ‘ik’ dat doodsbang is om geen ‘ik’ meer te zijn?

Wat is de relatie tussen interpretatie en oordeel? En wat is in dit verband oorzaak en gevolg? Als het deel van mijn denkgeest dat beslissingen neemt de allerbelangrijkste oorzakelijke beslissing neemt om niet afgescheiden te zijn, dan is er helemaal geen waarneming meer; en ik ben doodsbang om die oorzakelijke beslissing te nemen omdat dat het einde betekent van ‘mij’ als afzonderlijk bestaan, nietwaar? Maar wie is het ‘ik’ dat bang is dat dit zijn einde betekent? Is dat de persoon die ik denk te zijn, of is het in werkelijkheid het deel van mijn denkgeest dat beslissingen neemt? Is er echt een ‘ik’ dat voor een afzonderlijk bestaan heeft gekozen, of is dit ‘ik’ gewoon een gevolg van de (niet-bestaande) afscheiding, een gevolg dat niet uit zichzelf de oorzaak ongedaan kan maken? Is dit ‘ik’ oorzaak of gevolg?

Antwoord: Het gevoel van een ‘ik’, een persoonlijk zelf, is het gevolg van de keuzemaker in de denkgeest die voor het ego heeft gekozen. Aan de basis van die conclusie ligt het volgende: een belangrijke stap in het proces van de omkeer van denken in Een cursus in wonderen is ons besef dat we nooit niet een denkgeest zijn die beslissingen neemt. Er is geen zelf – een ‘ik’ – én tegelijk een denkgeest die beslissingen neemt. De reden dat we denken dat ze niet hetzelfde zijn maakt deel uit van het probleem: ontkenning. Om de afscheiding voort te laten bestaan is het essentieel dat we niet van onszelf denken dat we uitsluitend een denkgeest zijn, of dat we de betekenis van denkgeest veranderen zodat die met iets fysiek geassocieerd wordt: de hersenen. De afscheiding zou in gevaar komen als we zonder meer wisten dat we een denkgeest zijn met het vermogen om te kiezen of we al of niet van God gescheiden willen zijn. De strategie om de afscheiding intact te houden maar er geen verantwoordelijkheid voor te nemen, vereist dat we van onszelf denken dat we afgescheiden, met elkaar concurrerende zelven zijn, en niet een denkgeest die hetzelfde denksysteem deelt en hetzelfde vermogen om beslissingen te nemen.

We herhalen het steeds opnieuw: Jezus richt zich alleen tot de keuzemaker. Zijn lessen zijn bedoeld om ons te helpen leren op deze manier met onszelf in relatie te staan zodat we nooit het feit uit het oog verliezen dat we altijd kiezen voor de manier van waarnemen van het ego of van de Heilige Geest, voor het doel dat het ego of de Heilige Geest aan ons leven geeft. Wanneer we dit consequenter volgen, zien we gemakkelijk in dat de dingen helemaal niet zijn zoals ze er uit lijken te zien, en dat wij helemaal niet zijn wie we lijken te zijn. Dit brengt ons dan dichter bij het einde van de reis, wanneer we de Verzoening aanvaarden en ons herinneren: “Ik ben één Zelf, verenigd met mijn Schepper” (WdI.95).

Naarmate we die laatste fase naderen, zal onze angst geleidelijk verminderen, omdat we weten dat we iets loslaten dat onwaar en dus betekenisloos is: “Het zelf dat jij gemaakt hebt, is niet de Zoon van God. Daarom bestaat dit zelf helemaal niet. En alles wat het schijnt te denken en te doen, betekent niets. Het is noch slecht, noch goed. Het is onwerkelijk, en meer niet. … [het] is zonder betekenis” (WdI.93.5:1-5; 6:6). Uiteindelijk laten we onze greep op deze identiteit maar al te graag los, omdat we weten dat het ons bewustzijn van wie we werkelijk zijn alleen maar in de weg staat: “Probeer aan het Zelf dat God als jou geschapen heeft geen afbreuk te doen door Zijn verhevenheid te verbergen achter de nietige afgoden van zondigheid en kwaad die jij gemaakt hebt om in Zijn plaats te stellen. Laat Het tot het Zijne komen. Hier ben jij, Dit ben Jij. En er woont licht en vreugde en vrede in jou, omdat dit zo is” (WdI.93.9:5-8).