Een Cursus in Wonderen

Vraag- en antwoordservice

V#1085 Hoe kan het dat God onze gebeden niet hoort?

Ik heb op je website gelezen dat God onze gebeden, die we hier vanuit deze illusoire wereld bidden, niet hoort. Hoe kan dit nu waar zijn aangezien we allemaal met God verbonden zijn via onze ‘juist-gerichte’ denkgeest? En ook: als we niet meer dan een idee zijn in de denkgeest van God, en ideeën hun bron niet verlaten, hoe kan het dan dat God ze niet hoort aangezien wij, en al wat er is, in de Denkgeest van God aanwezig zijn? Als ik Het lied van het gebed lees, begrijp ik dat onze gebeden om vergeving moeten gaan en over het niet dagelijks zelfstandig nemen van beslissingen. Hoort de Heilige Geest, en dus God, onze gebeden wel, of dienen die alleen maar om ons geloof in de Heilige Geest en in Gods Verlossingsplan voor ons te versterken?

Antwoord: Toen wij (als de ene Zoon) in slaap zijn gevallen en ons thuis in God hebben verlaten, namen we de herinnering van onze ware Identiteit met ons mee – dat wat in Een cursus in wonderen bekend staat als onze juist-gerichte denkgeest. Maar aangezien onze afscheiding van God volledig illusoir is, is de juist-gerichte denkgeest dat ook. We kunnen ervoor kiezen ons te herinneren dat we niet van God gescheiden zijn, maar dat heeft niets met God te maken. God heeft geen weet van wat niet werkelijk is. Over de Heilige Geest wordt gesproken als de “overblijvende Communicatieschakel tussen God en Zijn afgescheiden Zonen” (VvT6.3:8), maar net als bij de andere vormen die Hij voor ons in de droom lijkt te zijn – een Stem, een Gids, een Helper, enzovoort – maakt Hij in waarheid deel uit van de “eeuwige vormloosheid van God” (VvT6.5:8). Het is behulpzaam om in gedachten te houden dat Jezus, om tot ons door te dringen, een taal moet gebruiken die voor ons betekenis heeft; maar zijn betekenis is niet altijd letterlijk bedoeld. Telkens wanneer hij in welke betekenis ook over dualiteit spreekt, moet zijn taalgebruik dus metaforisch en niet letterlijk begrepen worden.

In waarheid bestaan we alleen in de Denkgeest van God, “een Eenheid die als Eén verbonden is” (T25.I.7:1). Maar in onze waantoestand denken we niet aan onszelf als één met God, we denken aan onszelf als personen die proberen te communiceren met God, die van ons gescheiden is. Er is in de Hemel geen ‘wij’: “God deelt Zijn Vaderschap met jou, die Zijn Zoon bent, want Hij maakt geen onderscheid tussen wat Hijzelf is en wat nog steeds Hijzelf is. Wat Hij schept staat niet los van Hem, en nergens eindigt de Vader en begint de Zoon als iets afzonderlijk van Hem” (WdI.132.12:3-4). In de Hemel is het gebed dan ook compleet anders dan wat we denken dat het betekent in deze illusoire wereld van afgescheiden personen, waar het meestal de een of andere vorm van een smeekbede of een verzoek in verband met onze noden is. Maar omdat we één zijn met onze Bron in de Hemel, kunnen ‘we’ geen noden hebben. Jezus zegt dan ook: “De Liefde die Zij [Vader en Zoon] delen is wat alle gebed door de eeuwigheid heen zal zijn, wanneer tijd heeft afgedaan. Want zo was het voordat tijd er leek te zijn” (L1.In.1:7-8).

Maar zolang we nog geloven dat we als afzonderlijke personen bestaan, leert Jezus ons dat het gebed die vorm zal aannemen die het beste onze behoeften vervult (L1.In.2:1). Het is een proces, met verschillende niveaus die overeenkomen met het punt waarop we ons bevinden op onze terugreis naar onze natuurlijke staat van eenheid met elkaar en met God. Maar het is altijd voor onszelf (L1.II.6:1; III.1:1); het maakt deel uit van ons Verzoeningsproces. Gebed moet dus zoveel mogelijk op vergeving gericht zijn, aangezien het de ervaring van vergeving is die ons naar het gewaarzijn leidt dat we wat we nodig hebben al bezitten: “Gebed in zijn beginvormen [vragen uit nood] is een illusie, want er is geen ladder nodig om te bereiken wat men nooit verlaten heeft. Gebed is echter deel van vergeving zolang vergeving – zelf een illusie – onbereikt blijft. Gebed is verbonden met leren tot het leerdoel is bereikt. En dan zullen alle dingen tezamen worden getransformeerd, en onbezoedeld terugkeren naar de Denkgeest van God (L1.II.8:3-6).